maandag 21 mei 2007

Brieven 1885-1905 - Marcel Proust

Cees Nooteboom, een van zijn grootste Nederlandse bewonderaars, las de Recherche van Marcel Proust op zijn veertigste. Als ik die kolossale romancyclus voor mijn dertigste wil gelezen hebben, hetgeen mijn enige goede voornemen was met nieuwjaar, mag ik wel eens opschieten.

Is het faalangst, ik weet het niet, punt is dat ik me vooralsnog beperk tot enkele satellietboekjes die rond dat hoofdwerk heen hangen: het magistrale essay van Samuel Beckett over Proust, een Frans fotoboek dat de plaatsen van Prousts jeugd evoceert, en nu deze verzameling brieven weer.

Toen Geerten Meijsing in het midden van de jaren tachtig de correspondentie van Proust begon te bloemlezen en te vertalen had hij reeds beschikking over de eerste negen delen Correspondance die tot dan verschenen waren bij uitgeverij Plon en de jaren 1880-1909 besloegen. Voor dit Privé-domeindeel koos hij 240 brieven uit de 1541 opgenomen in deel 1 t/m 6.

Prousts ontzettend wijdlopige, vermoeiende en slaafs-aristocratische correspondeertrant maakt het de moderne lezer quasi onmogelijk deze brieven in één ruk tot hem te nemen. Ik tenminste heb er toch een dag of vier over gedaan. Zelfs de amper veertienjarige Proust voorziet zijn epistels al van een marmeren plechtstatigheid en vormelijkheid die zijn gelijke niet kent.

Meijsing, die dat hoofse Frans uitstekend weet te vatten en daarvoor hulde verdient, wijst erop in zijn uitstekende, verhelderende nawoord dat het merendeel van Proust brieven

"een conventionele sociale functie had, waarvoor een beperkte set van strenge regels gold: hoewel hij later in zijn boek de sociale strebers en het mondaine milieu zo pijnlijk scherp te kijk zette, is het in de eerste helft van zijn leven bijna zijn enige doel om sociaal hogerop te klimmen en in het gevlei te komen bij beroemde persoonlijkheden en adellijke jongelieden. Hierin lijken zijn bijna mechanische, hogelijk onechte en kunstmatige brieven op die van een hoveling die zich tracht te bekwamen in de kunst van het prijzen [...] - daarbij nooit vergetend hoe hij in het prijzen van anderen zijn eigen waarde kan opschroeven, door zich zo serviel op te stellen dat de ander alleen al voor de vorm zijn zelfnegatie moet ontkennen. Het is een genot om te zien in welke bochten Proust zich kan dwingen om door een ontveinzing van eigen verdiensten zijn superioriteit duidelijk te maken of om een argument te laten verkeren in zijn tegendeel."

De zaak ligt zelfs nog cynischer:

"Boven het conventionele sociale niveau van deze wederzijdse knievallen uit, probeert Proust in deze brieven hoe ver hij kan gaan om meer dan de verwachte reacties uit te lokken van de correspondenten die voor hem object van studie zijn, materiaal voor personages die hij in zijn roman zal gebruiken."

Proust "slijmt en kontlikt dat je er ziek van wordt", in de woorden van Meijsing. Zijn kruiperigheid bereikt een hoogtepunt in zijn schrijven aan Robert de Montesquiou, de dichtende graaf-dandy die in de Recherche model zal staan voor baron de Charlus. Voor wie van krullen houdt en er de humor van kan inzien zijn de eindeloze varianten op de beleefdheidsfrasen waarmee Proust tracht in het gevlei te komen erg vermakelijk om lezen.

"De urn van uw gedachtenis heeft, sinds gisteren, niet opgehouden mij de melk en de inkt uit te gieten, welke laatste de toverkracht van de dichter even mild weet te maken als de melk.
Uw miskende en overstelpte
Marcel Proust"

"Toch is het leven mij wel verschuldigd een poging te wagen erin te slagen u op een dag te bedanken, en met de fijngevoeligheid van uw hart en van uw geest kunt u zich voorstellen hoe welgevallig mij dat zou zijn, als u denkt aan mijn gloeiende dankbaarheid en aan mijn diepe, bewonderende genegenheid voor u."

"In de hoop dat u het zult waarderen, zal ik u deze kunstzinnige raat toezenden die onttrokken is aan de droeve korf aan de voet waarvan ik mijn zeer toegenegen en zeer bewonderende eerbetuigingen deponeer."

In werkelijkheid kreeg Proust het op zijn heupen van de bezitterigheid van de graaf, die niet duldde dat zijn bewonderaar weer al eens een van zijn exclusieve feestjes of voordrachten wegens gezondheidsproblemen aan zich liet voorbijgaan.

Prousts imitatie van de hysterische Montesquiou was overigens een standaardnummer in zijn repertoire en de oorzaak van een fikse brouille zodra de Montesquiou lucht kreeg van het feit dat Marcel voor "handelsreiziger van zijn geestkracht" speelde. Montesquiou is een figuur die tot de verbeelding spreekt en het is des te jammer dat we zijn feedback moeten missen in een brievenverzameling als deze.

Met even grote virtuositeit windt Proust adellijke dames om zijn vinger. Een brief aan Madame de Noailles opent met:

"Madame,
Wat een opwinding steeds als ik het gedisciplineerde tumult van uw handschrift zie, die magnifieke krullen van een eindeloze, ritmische zee, uit de schoot waarvan glinsterend als Afrodite uw even goddelijke en even schone gedachten oprijzen. Maar wanneer het is om mij te folteren door in mij een dankbaarheid op te wekken waarvan ik voel dat ik die u nooit zal kunnen betuigen, door een overdaad aan goedheid of verfijnde vriendelijkheid, zoals in uw brief van hedenmorgen, dan is die vreugde smartelijk en mengt zij
Het schuim van het genoegen met de tranen van een foltering."

En wat te denken van de ontboezemingen aan Louisa de Mornand, een derderangs Vaudeville-actrice (en niet Veaudeville-actrice zoals Meijsing spelt), die Proust erg bevallig was?

"Mijn kleine Louisa,
Weet u dat het al heel lang geleden is dat ik u gezien heb. En het feit dat toch voortdurend een paar mooie lieve ogen zich in gedachten op mij richten, bewijst dat uw beeltenis het machtige vermogen heeft de afwezigheid te weerstaan, die voor mij zoveel herinneringen om zeep helpt. Maar nee, zelfs ver van u blijf ik onder uw zoete en soevereine invloed."

Het zakelijkst zijn nog de brieven van Proust aan "mamaatje" Jeanne Proust-Weil, aan wie hij minutieuze aantekeningen richt over zijn eigen wankelmoedige gezondheid, traditionele vakantieberichten schrijft of exhaustief de inrichting van zijn woonvertrekken voorschildert. Proust verhuist immers dikwijls, o.a. naar Versailles, waar hij vier maanden verblijft zonder iets van het decor te hebben waargenomen, "alsof hij ze heeft doorgebracht in een telefooncel". Tegen het einde van deze bloemlezing zien we Proust nog net verhuizen naar zijn definitieve woonst, een appartement aan de boulevard Haussman.

Het zwakke gestel van de Franse schrijver, die hevig leed onder astma-aanvallen, vergde een dergelijk isolement. Meijsing koppelt aan Prousts medicinale curriculum volgende bespiegeling:

"Het is zeker dat zijn intieme kennis van een eindeloze reeks geconsulteerde geneesheren […], van rusthuizen en wachtkamers, in combinatie met de nauwgezette observaties van zijn eigen geestestoestand in afhankelijkeheid van zijn hypernerveuze en lichtelijk hysterische zenuwgestel, de basis hebben gelegd voor de diepgravende psychologische ontdekkingen die zijn roman zoveel cachet geven. [...] Hij wilde van zijn geneesheren geen kuur of medicijnen, maar een zinvolle ontleding van zijn geest en zijn verleden."

Gaan deze brieven ook nog ergens over? Het substantieelst voor mij waren de brieven waarin de opgang van de literator Proust valt waar te nemen, degene waarin hij bericht over zijn lectuur (Meijsing selecteerde niet toevallig alle brieven over Gobineau, één van zijn eigen stokpaardjes) en informeert over zijn vertaal- en schrijfwerkzaamheden, voorlopig enkel nog in tijdschriften en kranten. Proust werkt ook onophoudelijk aan een groots vertaalproject: hij wil de werken van de Engelse estheet John Ruskin, die hem diep zullen beïnvloeden, ingang doen vinden in Frankrijk.

"Ik heb een blik geworpen in de twee enige boeken die over Ruskin geschreven zijn en de citaten stellen zo weinig voor dat er een van mijn twee bezwaren komt te vervallen. Maar het andere blijft overeind. Wat een boek om de indruk af te zwakken die zijn genie kan veroorzaken! In plaats van een levende kathedraal, welk een koel museum van onsamenhangende stukken."

Maar ook die verhaallijn moet gerelativeerd worden. De vertalingen komen er vooral op instigatie van zijn moeder, die haar lethargische zoon aan het werk wil houden, en zijn vooral háár werk en het werk van Mary Nordlinger, een Engelse kennis van de familie Proust. Proust zelf beperkt zich tot het stileren van de vertalingen die zij aansleepten, niet gehinderd door een matige kennis van het Engels.

"Ik pretendeer geen Engels te kennen. Ik pretendeer Ruskin te kennen."

Eenmaal een vertaling voltooid doet Proust er alles aan om bij invloedrijke recensenten op een goed blaadje te komen, zij het immer geraffineerd:

"Wanneer u Hermant ziet, zeg hem dan dat hij me een groot plezier zou doen als hij in een van zijn artikelen, als haren in de soep, een paar woorden over mijn Bible d’Amiens kon laten vallen, want daardoor zouden enige exemplaren verkocht worden – wat mij niet zozeer interesseert, maar ik zou wensen dat de edelmoedige daad van mijn uitgever om mij te publiceren voor hem niet al te rampzalig is. Aangezien ik één keer in de tien jaar een boek maak, hoeft Hermant dit precedent niet te vrezen."

Prousts wollige toon (die ervoor zorgt dat de lezer even opschrikt als plotsklaps een wel erg aards woord als 'telefoongesprek' valt) spruit mede voort uit zijn artistieke credo dat de kunst een transformatie van het leven is die de kunstenaar uittilt tot een hoog moreel niveau door de visie waarmee hij weet te ontstijgen aan de gemeenheden en tekortkomingen van het dagelijkse leven. Nogmaals, het is jammer dat we de replieken of aanleidingen van de brieven niet te lezen krijgen, om vast te stellen hoe Proust de realiteit transformeert in kunstproza.

Ik heb het in dit besprekinkje voornamelijk over zijn eikenhouten Frans, en toch is Proust soms ronduit speels in zijn correspondentie, in de onnozele schrijfsels aan boezemvriend Reynaldo Hahn bijvoorbeeld, in wiens verstand Proust "alle schakeringen van de waarheid blijft bewonderen, die even precies en even subliem zijn als alle schakeringen van de hemel in de zee". Dat blijft toch een van de boeiendste aspecten aan het epistolaire genre: te kunnen zien hoe door de wol geverfde auteurs zich van tijd tot tijd studentikoze vrijpostigheden veroorloven. Ik denk aan Kroniek van een karakter van Jeroen Brouwers, maar je vindt ze ook bij deze Proust:

"Je zult een muzikaal zeer veranderde Marcel terugvinden, die misschien bovenmatig Romeo-en-Juliettiseert, maar die in ieder geval gebleven is (…)"

Er is uitzonderlijk weinig insijpeling van buitenwereld in deze brieven. Ik bedoel maatschappelijke gebeurtenissen, die Proust het waard vindt te becommentariëren. De belangrijkste uitzondering vormt de affaire Dreyfus - verplichte kost wie egodocumenten van Franse laatnegentiende-eeuwers leest. Maar ook hier weer stilering te over. Dit kattebelletje schrijft Marcel Proust aan Fernand Labori, de advocaat van Dreyfus, nadat deze lichtgewond is geraakt bij een aanslag:

"Hulde aan de goede onoverwinnelijke reus aan wie alleen deze bloedige consecratie nog ontbrak opdat het niet bij wijze van beeldspraak is dat men over hem spreekt van strijd en overwinning en die zelfs niet meer de militaire toon het magnifieke privilege van soldaten hoeft te benijden: zijn bloed gegeven te hebben."

Op naar een slotsom. Wat moeten we denken van deze brieven? Vormen ze voor de geïntereseerde lezer de ideale opmaat voor het grote leeswerk, Op zoek naar de verloren tijd?

Neen. Het is een bloemlezing voor de liefhebbers geworden. Een verzameling om de tanden op te breken. Prousts brieven, zeg ik Meijsing na, zijn in tegenstelling tot die van Flaubert geen kunst suo genere. Meijsing citeert met instemming Proust-biograaf Philip Kolb die zelf met een sublieme Proustiaanse metafoor de brieven van Proust vergelijkt

"met de keerzijde van een wandtapijt, waarvan de grote roman A la recherche du temps perdu de beeldzijde is: ‘Men kan daar alle drade, alle kleuren onderscheiden; wat ontbreekt, is de samenhang van het geheel, het eindresultaat, kortom de kunst.’ En het is duidelijk van hoeveel belang en waarde deze keerzijde is voor de liefhebber en de student van het romanwerk om de aanzet van de patronen te ontdekken, de handen van de wever aan het werk te zien en de zelfkant van de gebruikte materialen en stoffen te bestuderen (...)"

Daarom is het zo jammer dat er om een of andere reden geen tweede deel kwam uit de correspondentie, dat pas echt de periode zou behandelen waarin Proust werkte aan zijn chef d'oeuvre. Inmiddels is de Correspondance integraal verschenen in 21 kloeke delen die elk vlot over de 700 pagina's gaan. Aan de beschikbaarheid kan het niet liggen. Had Meijsing er geen zin meer in? Bleef de belangstelling uit? Een uitgeverskwestie? Tot nader order moeten we het doen met een Franse bloemlezing uit de Lettres, verschenen in 2004.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://fr.wikipedia.org/wiki/Robert_de_Montesquiou
> http://fr.wikipedia.org/wiki/Reynaldo_Hahn
> http://fr.wikipedia.org/wiki/Affaire_Dreyfus
> meer Privé-domein op Achille

Marcel Proust, Brieven 1885-1905
Gekozen en vertaald door Geerten Meijsing
420 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1985
Privé-domein nr. 105

P.S.
Uit het nawoord heb ik voor mezelf de namen overgetikt van geaddresseerden die volgens Proust-exegeten model stonden voor belangrijke personages uit de Recherche. Het lijstje hieronder bevat links de fictieve figuren, rechts de mensen die werkelijk bestaan hebben.

De ideale vriend Robert de Saint-Loup : Antoine Bibesco, Albufera, Constantin de Brancovan, Bertrand de Fénelon en misschien Reynaldo Hahn

Rachel : Louisa de Mornand

Bergotte : Anatole France

Elstir: Whistler

Odette : Laure Hayman

Madame Verdurin : Madame Lemaire

Duchesse de Guermantes : de dames Straus en Greffuhe

Monsieur de Charlus : Robert de Montesquiou
____

Geen opmerkingen:

Related Posts with Thumbnails