Wat is cultuurgeschiedenis? - Peter Burke
Ik ontdekte pas laat dat wat in de humaniora voor 'geschiedenis' moest doorgaan, beperkt bleef tot één aspect van die geschiedenis: het politiek-staatkundige. Geschiedenis was het verhaal van koningen en keizers, stambomen en dynastieën, oorlogen en staatsgrenzen. Cultuur was er ook, maar voornamelijk hoge cultuur. Terwijl aandacht voor de 'gewone man' en mentaliteitsgeschiedenis echt geen uitvindingen zijn van de laatste paar jaar. Of toch?
Ook televisiemakers, wordt ergens in dit boek opgemerkt, benaderen geschiedenis het liefst vanuit politiek, militair, en af en toe sociaal-economisch oogpunt. Waarom, vraag ik me dan af. Omdat die invalshoek makkelijker te ondersteunen is met archiefbeelden? Omdat dat soort programma's een overwegend ouder mannelijk publiek trekt dat van oorlog nooit genoeg krijgt?
In Wat is cultuurgeschiedenis? brengt de Britse historicus Peter Burke zijn vakdomein in kaart. Het is eerder een becommentarieerde literatuurlijst dan een theoretisch exposé. Honderden boeken komen langs, en dat dwingt Burke tot grote algemeenheid. Zijn beschrijvingen zijn nogal mat en slagen er vaak niet in de verdiensten van een bepaalde auteur in de verf te zetten. Tenzij Burke meerdere bladzijden inruimt, zoals-ie doet voor de pioniers en theoretici van een bepaalde richting. Erg is dat beknopte trouwens niet: in de meeste gevallen prikkelen de titels van de boeken meer dan genoeg. Het opstellen van de literatuurlijst (zie de commentaren hieronder) was een genot op zich.
Heel aangenaam is het evenwicht dat in het boek werd betracht. Burke spreekt zijn talen. De Duitse culturele traditie komt aan bod, die vanaf het einde van de achttiende eeuw voor de cultuurgeschiedenis van groot belang is geweest. De Amerikanen zijn present, die begin twintigste eeuw de Duitse traditie hebben overgenomen en getransformeerd. De Britten, die zich daar hebben tegen verzet. En de Fransen, met een cultuurhistorische traditie (vooral de mensen rond het tijdschrift Annales) die het woord cultuur vermijdt en liever civilization, mentalités collectives en l’imaginaire social gebruikt.
Cultuurgeschiedenis, steekt Burke van wal, kan gezien worden als een reactie op eerdere benaderingen van het verleden die iets buiten beschouwing lieten dat zowel ongrijpbaar als belangrijk was. Vroeger verwees het woord 'cultuur' alleen naar kunsten en wetenschappen. Daarna werd het gebruikt om de populaire vormen en uitingen van kunsten en wetenschappen te omschrijven: volksmuziek, volkstheater, volksgeneeskunde enzovoort. Tegenwoordig omvat de term een zeer breed spectrum aan voorwepen (beeldmateriaal, gereedschappen, huizen enzovoort) en menselijke uitingen (van conversatie tot "gamen" aan toe).
Cultuurhistorici richten zich op "het symbolische" in een samenleving. Ze laten de aloude veronderstelling los dat er sprake is van een onveranderlijke menselijke rationaliteit door de eeuwen heen (bijvoorbeeld dat verkiezingen of consumentenvoorkeuren altijd worden gestuurd door rationele keuzen). Dat uitgangspunt is ingewisseld voor meer aandacht voor de veranderlijke waarden en opvattingen die van belang zijn voor het gedrag van bepaalde groepen op bepaalde plaatsen in bepaalde perioden van de geschiedenis. In de geschiedschrijving kan men een verschuiving waarnemen van een interessse in objectieve kenmerken naar meer aandacht voor de betekenis en beleving van iets.
Een van de meest opvallende kenmerken van de ontwikkeling der cultuurgeschiedenis vanaf 1960 tot nu, is de koerswending naar de antropologie. De invloed van Lévi-Strauss (op zijn beurt beïnvloed door Roman Jakobson) en Clifford Geertz is groot. Cultuur werd langzaam maar zeker opgevat in brede en veelvormige zin: de cultuur van het dagelijkse leven, gewoonten, waarden en levensstijl. Cultuurhistorici onderzoeken de mentaliteit, het gedrag, de gevoelens, en de creaties van mensen (niet alleen de toplaag van de maatschappij) in een bepaald tijdsvak, en nemen zowat alle menselijke uitingen (niet alleen de culturele canon) als bronnenmateriaal. Denk aan Geertz' concept van de thick description: men moet een verschijnsel beschrijven inclusief de context ervan: een actie, ritueel, gedraging of uitdrukking krijgt pas betekenis door de sociale en historische inbedding.
Geschiedenis van de cultuurgeschiedenis
De geschiedenis van de cultuurgeschiedenis wordt door Burke opgedeeld in vier fasen. De eerste was de klassieke fase in de negentiende en begin twintigste eeuw. Impliciet in de werken van Jacob Burckhardt, George Malcolm Young en Johan Huizinga is het streven om een beeld van een tijdperk te schilderen. Cultuurhistorici uit deze periode beperkten zich weliswaar nog tot de klassieke canon van meesterwerken uit de kunst, literatuur, filosofie, natuurwetenschappen enzovoort, maar hadden reeds de bedoeling verbanden te leggen tussen verschillende disciplines (dit in tegenstelling met traditionele kunsthistorici). Ze lazen kunstuitingen als bronnenmateriaal (dit in tegenstelling met aanhangers van de kritisch-filologische methode van Leopold von Ranke). Een Huizinga wilde de karakteristieke gedachten en sentimenten van een tijdperk beschrijven, alsmede de uitdrukking en belichaming daarvan in literatuur en beeldende kunst.
De tweede fase was de fase van de sociale kunstgeschiedenis, die in de jaren dertig van de vorige eeuw begon. Gangmakers waren sociologen als Max Weber en Norbert Elias, en kunsthistoricus Aby Warburg. Zij gingen vaste culturele schema’s en patronen gebruiken bij het interpreteren van menselijk gedrag in heden en verleden. Het is immers onmogelijk om iets zonder gebruik van schema’s waar te nemen of herinneren (zie ook Popper en Gadamer).
De dreiging van het Duitse nationaal-socialisme werkte de verspreiding van deze invalshoek in de hand. De diaspora van de Midden-Europeanen in de jaren dertig was onder meer op het intellectuele leven in de VS en Engeland ingrijpend, waar intellectuele en culturele geschiedenis doorgaans buiten de geschiedenisfaculteiten om werd bedreven. De komst van de exil-wetenschappers opende de ogen voor de relatie tussen cultuur en maatschappij, tussen cultuur en de maatschappelijke omgeving waarin die ontstond.
De derde fase was de ontdekking van de geschiedenis van de volkscultuur in de jaren zestig van de vorige eeuw. Het begrip volkscultuur ontstond op dezelfde plaats en tijd als cultuurgeschiedenis: aan het einde van de achttiende eeuw in Duitsland. In die tijd ontdekten de middenklasse-intellectuelen de lange traditie van volksliedjes, volkssprookjes, volksdansen, volkse rituelen en ambachtskunst. Maar de geschiedschrijving van deze volkscultuur werd vooralsnog aan amateurs, folkloristen en antropologen overgelaten. Pas veel later, zo eind jaren zestig van de vorige eeuw dus, begon een groep universitaire historici (zoals Edward Palmer Thompson) zich serieus te verdiepen in volkscultuur, en werd dit een serieus academisch onderzoeksgebied.
Een belangrijk debat in deze discipline is dat van de volkscultuur versus elitecultuur: wie behoort er tot het volk? Iedereen, of iedereen minus de elite? Hebben mensen met een hoge status, grote rijkdom of aanzienlijke macht niet noodzakelijk een andere cultuur dan gewone mensen?
In de jaren zeventig van de vorige eeuw kwam een nieuw historisch genre op: de “microgeschiedenis” (Italiaans: microstoria), waarin onder invloed van de antropologie brede historische ontwikkelingen in beeld werden gebracht aan de hand van de wederwaardigheden van ogenschijnlijk onbeduidende individuen of gebeurtenissen. Dit was een repliek op een bepaalde stijl van sociale geschiedschrijving, die slaafs het model van de economische geschiedenis volgde, met veel gebruik van kwantitatieve methoden en beschrijvingen van algemene trends, zonder dat er veel aandacht was voor de verscheidenheid of het specifieke van lokale culturen, laat staan voor individuele belevenissen.
De microgeschiedenis was ook een reactie op de groeiende ontevredenheid over het zogeheten grote verhaal van de (eurocentrische) vooruitgang van de menselijke geschiedenis. Dat verhaal liep traditioneel in een vrij rechte lijn omhoog vanaf de opkomst van de moderne westerse beschaving in het oude Griekenland en Rome, via het christendom, de Renaissance, de Reformatie, de wetenschappelijke revolutie, de Verlichting, de Franse Revolutie en Industriële Revolutie tot de moderne tijd. Het besef van al datgene wat eruit gelaten werd of onzichtbaar bleef nam toe.
De vierde fase staat bekend als de nieuwe cultuurgeschiedenis. De term 'new cultural history' raakte eind jaren tachtig in zwang. Thans is ze de onbetwistbare dominante vorm van cultuurgeschiedenis. Het woord 'cultuur' onderscheidt de nieuwe cultuurgeschiedenis van ideeëngeschiedenis, in de zin dat het een nadruk aanduidt op mentaliteitsgeschiedenis, op veronderstellingen en gevoelens dus, meer dan op ideeën of rationele constructies, en het woord dient tevens om nieuwe cultuurgeschiedenis van een andere zusterdiscipline te onderscheiden, de sociaal-economische geschiedenis.
De nieuwe cultuurgeschiedenis staat voor een waaier aan specialisaties. Het debat over de onafhankelijkheidsstrijd in de derde wereld in de jaren zeventig en over die andere emancipatiestrijd, het feminisme, had enerzijds verregaande gevolgen voor de cultuurgeschiedenis, die ineens aandacht moest hebben voor perspectieven die ze tot dan toe had verwaarloosd: het vrouwelijke oogpunt, het niet-westerse oogpunt. In de jaren tachtig en negentig begonnen sommige cultuurhistorici zich dan weer meer en meer te richten op het bestuderen van materiële cultuur (kleding, meubels, voeding, huisvesting…), wat vroeger doorgaans aan economische historici werd overgelaten. Vaak lag daarbij de nadruk op de geschiedenis van de consumptie en de rol van de verbeelding (waarmee de reclamewereld speelt).
Nog andere historici verdiepen zich in de invloed van stereotiepe beelden — de mate waarin een opvatting over de maatschappelijke orde niet alleen een afspiegeling is van de werkelijkheid, maar ook daadwerkelijk het vermogen heeft de werkelijkheid te beïnvloeden ('representatie'). Een vorm van aandacht voor representaties in de nieuwe cultuurgeschiedenis die tegenwoordig een grote bloei doormaakt, is de geschiedenis van de herinnering (sociale, culturele en nationale herinneringen).
Geschiedschrijving in termen van 'praktijken en gebruiken' (practices in het Engels en pratiques in het Frans) is heel populair: cultuurhistorici hebben als onderwerp liever de geschiedenis van religieuze praktijken dan die van theologische doctrines, liever de geschiedenis van feitelijke experimenten dan die van de natuurwetenschappelijke theorieën. Dankzij deze andere houding ten opzichte van de praktijk van alledag, is de geschiedenis van allerlei verschijnselen uit het dagelijks leven geprofessionaliseerd en opgenomen in de geschiedwetenschappelijke hoofdstroom.
Collectie potten, Museum of Northern Arizona, Flagstaff, Arizona. 'Digital photo painting: Gone to look for America', Patrick Alan Swigart. - via Flickr
Theoretische omkadering
Typisch voor de nieuwe cultuurgeschiedenis is de belangstelling voor het theoretische kader: de polyfonie van Bachtin; de dwang tot zelfcontrole van Elias; de controle van anderen over het ‘zelf’, de ruptures, de épistemes, het discours en de praktijken (feitelijke vormen van gedrag) van Foucault; de begrippen veld (champ), culturele reproductie, habitus en onderscheid (distinction) van Bourdieu.
Een theorie die ten grondslag ligt aan een zeer aanzienlijk deel van de nieuwe cultuurgeschiedenis is de visie dat de werkelijkheid een culturele constructie is. De relatie tussen taal en de buitenwereld is immers alles behalve eenduidig. De mens schept via taal zelf de werkelijkheid — een gedachte die we al vinden bij Einstein, Popper, Schopenhauer, Dewey en William James, maar die in de radicale theorieën van Foucault (discours) en Michel de Certeau (pratiques) verder werd uitgewerkt.
De Certeau beschreef consumptie in termen van productie en hij richtte zijn aandacht op de zelfstandige keuzen die individuen maakten tussen de massaproducten in winkels en de vrijheid waarmee ze interpreteerden wat ze lazen of op tv zagen. Hij betoogde dat gewone mensen een selectie maken uit een repertoire dat voor handen is, nieuwe combinaties samenstellen uit wat ze kunnen kiezen, en belangrijker nog, dat ze datgene wat ze kiezen in een nieuwe context plaatsen.
Foucault stond discoursanalyse voor: de linguïstische analyse van teksten die langer zijn dan een paar zinnen, vaak met de bedoeling verborgen connotaties of politieke inhoud te ontdekken. Een duidelijke nawerking van zijn theorieën is de geschiedschrijving van ziekte. De nieuwe cultuurgeschiedenis van het lichaam onderscheidt zich van de traditionelere vormen van de geschiedenis der geneeskunde door de nadruk op de culture constructie van ziekte, in het bijzonder van de diagnose "waanzin".
De theoretisering van de cultuurgeschiedenis hangt natuurlijk samen met de problemen eigen aan het vakdomein. Doorheen zijn boek noemt Peter Burke de voornaamste valkuilen:
- Het wijdse begrip cultuur: we moeten een onderscheid maken tussen de cultuur van verschillende sociale klassen, de cultuur van mannen en vrouwen, en de cultuur van verschillende generaties die in dezelfde maatschappij leven.
- Problemen met bronnen: de aartsvaders van de cultuurgeschiedenis baseerden hun theorieën vaak op een beperkt aantal handgeschreven bronnen; teksten en beelden zijn geen eenduidige spiegels en reflecties van de tijd; hoe herken je propaganda?; welke bronnen uit het verleden kunnen ons dingen vertellen waarvan de getuigen zelf niet wisten dat ze die wisten?
- Cultuurgeschiedenis dreigt snel impressionisch en anekdotisch te worden. Louter beschrijvingen zijn zinloos zonder toetsbare hypothese.
- Emplotment: historici neigen ernaar het verhaal of plot van hun studies gaan modelleren naar literaire genres — de hoofdwerken van Gibbon en Spengler hebben duidelijk een tragisch plot.
- Occasionalisme: dezelfde persoon gedraagt zich bij hetzelfde ritueel anders als de omstandigheden (momenten, plaatsen) of situaties of omstanders anders zijn.
- Het concept performance: in hoeverre zijn woorden op te vatten als handelingen binnen een politieke, sociale en intellectuele context?
- De marxistische kritiek op cultuur: cultuur hangt blijkbaar in de lucht zonder contact met de sociaal-economische basis.
- De kwestie identiteit: in hoeverre wordt identiteit bepaald door sociale scripts, door taal en door representatie?
- Het probleem van de minoriteiten: in welke mate dringt een geschiedenis geschreven door minderheidsgroepen zich op? Is een feministische geschiedenis wenselijk?
- De paradox van de traditie: enerzijds kan een schijnbare vernieuwing de persistentie van de traditie maskeren; anderzijds kan de uiterlijke vorm van een traditie de vernieuwing maskeren. Een traditie moet zich altijd aanpassen om te overleven in de nieuwe tijd. Er is vaak een verschil tussen een grondlegger van een bepaalde theorie en zijn simplifiërende volgelingen.
Toekomst van de cultuurgeschiedenis
Ondanks deze moeilijkheden is Burke duidelijk over de verdiensten van zijn vak. Als cultuurhistorici de afgelopen dertig jaar iets hebben gedaan, dan is het wel dat zij, evenals cultureel antropologen, de zwakke kanten van de positivistische aanpak hebben laten zien, zegt-ie. Historici die zich met kastelen bezighouden, bijvoorbeeld, gaan tegenwoordig de culturele kant op en stappen geleidelijk af van het aloude militair determinisme (waarin de bouw van een kasteel steevast werd verklaard in termen van verdediging). De klemtoon ligt nu meer op het belang van vertoon van macht, rijkdom en gastvrijheid, kortom op het kasteel als theater. Het vak geschiedenis is ruimer geworden, meer interdisciplinair. Er bestaan geen triviale studieobjecten meer voor historici.
De toekomst van de cultuurgeschiedenis kan volgens Burke alle kanten op. Een herontdekking van de traditionele cultuurgeschiedenis (de geschiedenis van de hoge cultuur, van de klassieke traditie) behoort tot de mogelijkheden. Daarnaast zullen de onderzoeksgebieden van de nieuwe cultuurgeschiedenis mogelijk nog meer uitbreiden: de geschiedenis van de emoties, van de zintuigen... Mét gevaar voor fragmentatie, en historici die nalaten nog grote zinvolle verbanden te leggen. Voorts is een 'wraak van de sociaal-economische geschiedenis' niet uit te sluiten: een reactie op het loslaten van de wetenschappelijk controleerbare standaarden. Niettemin:
Als er één reden is waarom cultuurgeschiedenis niet snel zal verdwijnen, ondanks alle kritiek die mogelijk is op haar methoden en definities, dan is dat wel het belang van culturele ontmoetingen in onze tijd. De toenemende culturele interactie in een globaliserende wereld en in samenlevingen met talrijke minderheden, zorgt er onmiskenbaar voor dat we dit soort ontwikkelingen in het verleden ook steeds beter willen begrijpen.Het begin van onze eeuw, zegt Burke, lijkt een periode van erkenning, inventarisering van de oogst en consolidatie van de verworvenheden van de cultuurgeschiedenis uit de laatste paar decennia. Dit boek past in die periode.
(Deze samenvatting bestaat voor het leeuwendeel uit zinnetjes letterlijk overgenomen uit het boek.)
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> zeer uitgebreide bibliografie in de commentaren hieronder
Peter Burke, Wat is cultuurgeschiedenis?
207 p.
Uitgeverij Bijleveld, 2007
Oorspr. What is cultural history? (2004)
Vertaald door Alwin van Ee en Bastiaan Bommeljé
____





















