Van Jan Van Eyck tot Hans Memling - Katharina van Cauteren en Joost De Geest
Met het laatste deeltje van 600 jaar Belgische kunst in 500 kunstwerken zit mijn vaderlandse plicht er op. Dat is maar goed ook. Met de Vlaamse Primitieven komt me de geur van oude lessen esthetica en smoezelige videolokalen al te zeer in de neus. Niettemin: het moment is gekomen om deze strak vormgegeven reeks in zijn geheel aan te bevelen. De keuze uit ons patrimonium is royaal, met prettig leesbare duiding op het niveau van het individuele kunstwerk.
Maar het opzet van 600 jaar Belgische kunst in 500 kunstwerken kent ook belangrijke beperkingen. De reproducties zijn te klein — maar dat zijn ze altijd. Principiëler is de vaststelling dat de lezer alleen meesterwerken voor de voeten wordt geworpen. Dat maakt de reeks niet zo geschikt om de tijdsgeest van een bepaalde periode op te snuiven.
Het typische van een meesterwerk lijkt me dat het tijdsgebonden stijlkenmerken overstijgt, of op zijn minst aan het oog onttrekt door het superieure vakmanschap. Een meesterwerk kan op zichzelf staan. Ik althans, kan niet zomaar, in een paar tellen, een schilderij uit de Renaissance van eentje uit de barok onderscheiden. Dat kan ik alleen maar na goed kijken en afwegen, en dan nog zit ik er vaak naast. Ondanks de vanzelfsprekendheid waarmee kunsthistorici karakteristieken aanwijzen.
De modes en mentaliteit van een tijdsvak zijn duidelijker te herkennen op grof epigonenwerk of in het oeuvre van minder begaafde kunstenaars. Maar van de humus die de topstukken heeft mogelijk gemaakt, krijgen we in de kunstgeschiedenis zelden iets te zien. Hoe verhoudt Lucian Freud zich met de huisvlijt van honderdduizend zondagsschilders? Wie vangt de Zeitgeist het best? En waarom, als schilderijen toch zo mooi de vinger aan de pols houden, gaan de meeste mensen nooit naar een museum?
In dit deeltje over de Vlaamse Primitieven is de discrepantie extra groot, omdat er zo weinig oude kunst bewaard is gebleven, laat staan de grote aantallen doordeweekse artefacten (vaandels, wapenschilderingen...) die de kunstnijverheid ook voor zijn rekening moest nemen. Zoals Joost De Geest aangeeft in zijn inleiding:
Hoe deze kunst historisch gezien bijna ex nihilo kon beginnen met een absoluut toppunt, het werk van Van Eyck, blijft ergens raadselachtig. Dat komt omdat de geschiedenis van de Vlaamse en Nederlandse schilderkunst geen duidelijk begin heeft. Er zijn van de eerste vijfhonderd jaar (9de tot 13de eeuw) zogoed als geen objecten bewaard. Men kent uit de geschreven bronnen wel enkele namen, maar vrijwel geen werken. Een ongelukkige situatie. Maar zelfs over de universeel beroemde Vlaamse Primitieven weet men tenslotte niet veel. Er zijn maar weinig werken waarvan het auteurschap echt vaststaat, de rest zijn toeschrijvingen.Daarnaast is de teneur van 600 jaar Belgische kunst in 500 kunstwerken nogal braaf. John Berger, een neo-marxist, beweert in Anders zien (1972) dat de opkomst van het olieverfschilderij parallel loopt met de behoefte van de bezittende klasse om haar rijkdom en koopkracht te etaleren. Olieverf leent zich immers veel beter dan tempera of fresco's om mensen en voorwerpen — hun textuur, glans, stevigheid, kleur — natuurgetrouw af te beelden. Zo'n overweging vind ik toevallig wel interessant.
Soit. Van Jan Van Eyck tot Hans Memling is in mijn ogen sowieso het meest deprimerende deeltje uit de reeks. Devotie mag in de late middeleeuwen dan wel de krachtige motor zijn geweest die kunstenaars (via hun opdrachtgevers) tot grote hoogten heeft gedreven, ik zie vooral het onnoemelijke talent dat is verkwanseld met het schilderen en sculpteren van engelen, profeten, martelaren, Maagden Maria en noem de hele zwik maar op.
Als ik toch een werk moet kiezen, neem ik de Annunciatie van Petrus Christus. Vanwege de ruimtelijkheid van de voorstelling en het ondefinieerbare licht. Daarnaast omdat dit paneel het mij dierbare vers 'Broer' in herinnering brengt, waarin Hugo Claus op een hartverscheurende manier de lelie als symbool van onschuld recupereert. Katharina van Cauteren:
Net als de eveneens in Brugge bewaarde Geboorte van Christus, maakte het paneel Annunciatie oorspronkelijk deel uit van een polyptiek. Verondersteld wordt dat het geheel werd uitgevoerd voor Spaanse opdrachtgevers, wat helemaal niet hoeft te verbazen gezien het internationale karakter dat een stad als Brugge al in de 15de eeuw moet hebben gehad. Het schilderij toont hoe een engel Maria de boodschap brengt dat ze Gods zoon zal baren. Maria’s maagdelijkheid wordt gesymboliseerd door de witte lelies op de voorgrond, traditioneel het symbool van zuiverheid en onschuld. Boven haar hoofd zweeft de duif van de Heilige Geest, terwijl het glasraam reeds zinspeelt op het lot dat haar na dit aardse leven wacht: een medaillon bovenaan toont hoe ze in de hemel zal worden gekroond. Op de arcade bevinden zich gesculpteerde profeten, die in het Oude Testament de komst van Christus aankondigden en taferelen uit het leven van Maria zelf, van haar verwekking bij de Gouden Poort, tot het moment van de Opdracht in de Tempel, veertig dagen na Christus’ geboorte. Ondanks dit iconografische programma lijkt het alsof de kunstenaar in de eerste plaats aandacht wilde schenken aan de ruimtelijke constructie, waarin hij de meetkundige perspectief op een foutloze manier wist toe te passen. Dat neemt niet weg dat ook dit correcte perspectiefgebruik past binnen de mystieke benadering van het geloof, waarbij de toeschouwer één moest worden met de voorgestelde figuren: door een juiste perspectivische weergave werd de fysieke grens tussen de ruimte van de toeschouwer en deze van het schilderij als het ware opgegeven.

Petrus Christus, Annunciatie (1452); foto: Reproductiefonds
Wat ook meespeelt in mijn depreciatie is mijn hedendaagse wens, mijn Westerse wens, om in schilderijen sprekende gelijkenis te vinden. Stiekem wil ik dat oude meesters fotorealisten zijn, opdat hun werk me als een teletijdsmachine naar het verleden kan brengen. Dat zijn ze niet. Het officiële verhaal gaat dat de Vlaamse Primitieven bekommerd waren om een gedetailleerde weergave van mensen. Maar iedereen die weleens zo'n paneel heeft bekeken, ziet dat dat niet klopt.
Afgezien van de kleinere gestalte zagen mensen er net zo uit als nu. Maar alleen bij mannen — neem Antoon van Bourgondië of Joris Van der Paele — krijg ik het gevoel naar levensechte personages te kijken. Mannen worden door de Vlaamse Primitieven afgebeeld als individuen. Vrouwen zien er allemaal eender uit. Bleekgrijs gelaat. Gestileerde vroomheid. Geloken ogen. Typetjes. Inges Vervotte.
Een van de redenen waarom in de Nederlanden zo weinig kunst uit de vroege middeleeuwen tot ons is gekomen, zegt Joost De Geest, is de ongunstige politieke context. Er waren in onze gewesten geen grote vorstenhoven, de feodale beslissingscentra lagen ver weg. Pas met de opkomst van de steden, grofweg vanaf de dertiende eeuw, ontstond er een nieuwe voedingsbodem waarin een burgerlijke kunstcultuur kon gedijen. Naast de usual suspects als adel en geestelijkheid, kon nu ook het stadspatriciaat kunst bestellen.
In het begin van de vijftiende eeuw ontstond in de Nederlanden, eerst in de steden in het Zuiden, wat men Ars Nova ging noemen, de nieuwe kunst van de Vlaamse Primitieven. Zij waren niet de eersten die met olieverf aan de slag gingen, maar ze betekenden veel voor de verspreiding van de techniek. Internationaal vermaard waren ze, in Spanje, Italië, Duitsland en natuurlijk Frankrijk.
Het kunstenaarsschap was behoorlijk aards in die dagen. De kunstenaar als onafhankelijk genie was een uitvinding van de Renaissance. Laatmiddeleeuwse schilders organiseerden zich in gilden, waar men een rigide traject moest afleggen, van knecht tot meester. De gilden waren erg protectionistisch: stadsgenoten en famieleden van gildegenoten konden veel makkelijker toetreden dan buitenstaanders.
Kunstenaars probeerden op verschillende manieren aan de bak te komen. Men trachtte werk te verkopen via kunsthandelaars, of op kunstmarkten ingericht door kloosterorden. Men was decorateur bij religieuze gelegenheden. Men werd aangenomen als stadsschilder. Of, het hoogst denkbare, men werd een rijkelijk betaalde hofschilder bij de hertogen van Bourgondië. Als dat allemaal onvoldoende lukte, nam men een bijberoep.
De werkdruk was hoog: door grote bestellingen, acute opdrachten (het plotse overlijden van een hoge piet) en de groeiende vraag naar kunst, zeker vanaf het einde van de vijftiende eeuw. Vaak produceerde men in serieën; de meesterschilder beschikte dan over een basismodel dat, indien nodig, door ateliermedewerkers kon worden aangepast aan de wensen van de opdrachtgevers.
Kunstenaars bezaten dan ook het monopolie van de beeldcultuur: ze leverden niet alleen hoge kunst af, maar werden ook ingezet voor wapen- en wandschilderingen, vaandels, verluchte handschriften en landkaarten. In de vijftiende eeuw kende de diptiekproductie een grote bloei: religieuze paneeltjes die door hun kleine afmetingen makkelijk verplaatsbaar waren, en de persoonlijke devotie (én het prestige) van de opdrachtgever ten goede kwamen.
Twee dingen tot slot. De keuze om werk van Hiëronymus Bosch op te nemen in dit boek over Belgische kunst, vind ik aanmatigend. Ook al wordt hij bij de Noordelijke Renaissance gerekend, was hij van kapitaal belang voor Bruegel, en hoorde zijn geboorteplaats ’s Hertogenbosch tot het toenmalige hertogdom Brabant. Voorts is er een productiefout geslopen op pagina 26. Waar de tekst over de Heilige Familie van Jacques Daret had horen te staan, werd nu de uitleg bij Barend van Orley's Portret van Margaretha van Oostenrijk opnieuw afgedrukt (uit het vorige deel).
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> Studiecentrum voor de vijftiende-eeuwse Schilderkunst in de Zuidelijke Nederlanden en het Prinsbisdom Luik
> http://en.wikipedia.org/wiki/Early_Netherlandish_painting
> http://en.wikipedia.org/wiki/Category:Jan_van_Eyck_paintings
> mijn persoonlijke favorieten in de commentaren hieronder
Diversen, Van Jan Van Eyck tot Hans Memling
Vlaamse primitieven
118 p.
Uitgeverij Lannoo, 2007
De Standaard kunstbibliotheek
600 jaar Belgische kunst in 500 kunstwerken, deel 10
Uit de inleiding van Joost De Geest:
Jan Van Eyck: hofschilder bij Jan van Beieren en daarna Filips de Goede. Dirk Bouts en Rogier van der Weyden: stadsschilders. Hugo Van der Goes: lekenbroeder. Welvarend: Hans Memling en Hiëronimus Bosch. Decorateurs: Petrus Christus en Hugo Van der Goes.
Olieverf. Houten paneel, plamuurlaag, ondertekening met krijt of houtskool, verflagen, kleurloos vernis. Eikehout uit de Baltische staten. Veel minder kleuren dan nu. Minerale en organische pigmenten, gebonden met olie. Soms van ver: lapis lazuli (felblauw, Afghanistan).
____





"Joséphin Péladan (1858-1918) was a French novelist and Martinist. His father was a journalist who had written on prophecies, and professed a philosophic-occult Catholicism. His eldest brother Adrien studied alchemy and occultism as well. In 1882 he came to Paris where Arsene Houssaye gave him a job on his artistic review, L'Artiste. (...) He claimed that a Babylonian King left the title of "Sâr" to his family. Péladan wrote a novel, Le vice suprème (1884), that was interwoven with Rosicrucian and occult themes. After reading Péladan's novel, the French poet Stanislas de Guaita became interested in occultism. In Paris, De Guaita and Péladan became acquainted, and in 1884, the two decided to try to rebuild the Rosicrucian Brotherhood."


















