Nieuwe site
Dit weblog is verhuisd naar dit adres.
Dit weblog is verhuisd naar dit adres.
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
12:44
0
reactie(s)
rubrieken meta
Het begrip graphic novel werd niet gemunt door Will Eisner, maar kreeg door hem wel ruime bekendheid. Ook Eisner gebruikte de term in negatieve zin, met de bedoeling zich ergens tegen af te zetten. Zijn album Een contract met God (1978), dat aan de bakermat stond van het genre, was geen comic, geen strip, geen makkelijk verhaal met superhelden die tijdens de kantooruren de wereld zuiveren van alle onheil. Bovendien wilde Eisner breken met de rigide plaatindeling van strips.
De peetvaders van de graphic novel, Art Spiegelman, Robert Crumb en Will Eisner richtten zich op volwassenen en alle lezers die niet alleen maar op zoek waren naar een verzetje. In tegenstelling tot de figuren uit het Gouden Tijdperk (jaren veertig, mid-jaren vijftig) en het Zilveren Tijdperk (mid-jaren vijftig, jaren zestig) van de Amerikaanse strip werden nu eens echte mensen getekend, met kleine kantjes en zonder bovennatuurlijke krachten. Werd de karikatuur toch ingezet, dan was dat meestal om de zwartgallige aspecten van het bestaan in de verf te zetten of met bittere ironie te lijf te gaan.
Een contract met God is daar een mooi voorbeeld van. Het album bundelt vier verhalen met eenzelfde setting: Dropsie Avenue, een straat in de Bronx geflankeerd door tenements — de typische appartementsblokken die in de jaren twintig zijn gebouwd om de stroom immigranten na de Eerste Wereldoorlog te huisvesten. Een contract met God speelt nog iets later, in de jaren dertig, wanneer veel joodse koppels ondanks de crisis een eerste generatie kinderen op de wereld hebben gezet. Geldgebrek, gefnuikte dromen en de werking van het noodlot zijn de basisingrediënten van alle verhalen.
Eisner memoreert, kortom, zijn jeugdjaren in dit album. Midden jaren zeventig bedacht hij dat het tienerpubliek waar hij Spirit voor had getekend samen met hem ouder was geworden. Die dertigers wilden allicht iets anders dan de prentjes met superhelden van weleer.
'De huismeester' draait rond ene meneer Scuggs. Als de huurkazerne "een passagiersschip is, verankerd in een zee van beton", dan is hij "de kapitein". Een kapitein die weliswaar in de kelderverdieping leeft. Met zijn kale knikker en Duitse krachttermen lijkt hij zo weggestapt uit de Weimar-republiek zoals George Grosz haar tekende. Hoewel hij als rechterhand van de huisbaas de machtigste man is in het gebouw, blijft hij een eenzaam figuur. Hij heeft enkel een hond en een paar wanden met pin-ups om hem gezelschap te houden. Die ene poging waarbij hij zijn natte dromen toch tracht na te streven, wordt zijn ondergang. Typisch voor de ambiguë Eisner: Scuggs' ogenschijnlijk hulpeloze slachtoffer redt zich uit de benarde situatie met een nietsonziende list.
'De straatzanger' gaat over een drankzuchtige boekhouder die operazanger wil worden en ook best een potje kan zingen. Seks met een verlopen diva-met-connecties verhogen kort de kans op welslagen, maar ook hier worden dromen eigenhandig verkwanseld. De straatzanger kan bovendien niet met geld omgaan en zijn zwangere vrouw zal dat bekopen.
In 'Cookalein' wordt het actieterrein deels verlegd van Dropsie Avenue naar een vakantieoord waar jonge joden samenkomen in de zomermaanden. Hun vakantie blijkt echter vooral te dienen om de buitenechtelijke liefde te bedrijven of om een goede (lees: beter bemiddelde) partij te vinden. De expliciete seksscènes in 'Cookalein' zijn te interpreteren als een welgemeende fuck you ten aanzien van de (overigens dit jaar opgeheven) Comics Code Authority.
Het titelverhaal is het beste, meest ontroerende werkstuk van Eisner. De vrome jood Frimme Hersh denkt het lot te slim af te zijn door met God een contract af te sluiten. Maar het contract deugt kennelijk niet: het door Hersh liefdevol bejegende meisje Rachele sterft — een verhaallijn geënt op wat met Eisners dochter Alice gebeurde; zij stief op haar zestiende aan leukemie.
'Een contract met God' laat interessante vragen open. Wordt Hersh door het noodlot getroffen omdat hij het contract eenzijdig heeft opgesteld? Omdat hij het waagde voorwaarden te stipuleren? Of doodeenvoudig omdat er geen God is? En wanneer hem dat tweede — fatale — ongeluk overkomt, komt dat dan door ongelukkig toeval of door een zich wrekende God?
Het probleem van het lijden is de vraag waarom een almachtige en goede God, zoals voorgesteld door de monotheïstische religies, kwaad en lijden in zijn schepping zou toestaan. Epicurus was de eerste die het probleem filosofisch formuleerde en bestudeerde. De volgende reductio ad absurdum wordt wel de paradox van Epicurus genoemd.
Er bestaat kwaad, dus God is ofwel niet in staat, ofwel niet van zins het op te heffen.Een oplossing voor zo'n probleem wordt een theodicee genoemd. De oplossingen minimaliseren meestal één van de premissen van Epicurus, onder andere door een andere definitie van kwaad, almacht en goedheid te introduceren.
Als God het kwaad niet kán opheffen, is hij niet almachtig.
Als hij het niet wíl opheffen, is hij kwaadaardig.
Als hij het niet kán of niet wíl opheffen, waarom zou je hem God noemen?
Als hij het kán en wíl opheffen, waar komt het kwaad dan vandaan?
Een andere definitie van lijden: het lijden speelt zich slechts in onze verbeelding af.Een andere optie is het probleem van het lijden in een breder perspectief te plaatsen. Dan komen zaken als verantwoordelijkheid en keuzevrijheid van de mens in beeld, in combinatie met de verplichting om met de bekende en verborgen consequenties van keuzes te leven. Veel religies postuleren een eeuwig leven en daarvan afgeleid een volmaakt en eeuwig hiernamaals, in tegenstelling tot het aardse bestaan. Het aardse lijden valt daardoor in het niet, bezien vanuit het perspectief van de volmaakte eeuwigheid. In sommige religies wordt het aardse lijden gerechtvaardigd als een morele voorbereiding op de eeuwigheid.
Een andere definitie van almacht: God heeft ervoor gekozen om zijn macht te beperken, om zo samen met de mensen het kwaad uit te roeien. Of: God is niet almachtig, maar strijdt samen met de mens tegen het kwaad en hoopt zo uiteindelijk het kwaad te overwinnen.
Een andere definitie van goedheid: Gods goedheid hoeft niet noodzakelijkerwijs overeen te komen met ons begrip van goed. Bovendien kan God slechte dingen uiteindelijk laten uitlopen op goede dingen.

Opgetekend door
Achille van den Branden
om
21:10
0
reactie(s)
rubrieken opinio
"Irvin Shrewsbury Cobb (1876-1944) was an American author, humorist, and columnist who lived in New York and authored more than 60 books and 300 short stories. (...) Cobb is best remembered for his humorous stories of Kentucky local color. These stories were first collected in the book Old Judge Priest (1915), whose title character was based on a prominent West Kentucky judge named William Pitman Bishop. Among his other books of humor are Speaking of Operations (1916) and Red Likker (1929)."
> http://en.wikipedia.org/wiki/Irvin_S._Cobb
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
19:57
0
reactie(s)
rubrieken curricula
"Henry Theodore Tuckerman (1813-1871) was an American writer, essayist and critic. Tuckerman was born in Boston, Massachusetts. He was a sympathetic and delicate critic, with a graceful style. He wrote extensively both in prose and verse. He travelled much in Italy, which influenced his choice of subjects in his earlier writings. These include The Italian Sketch-book (1835), Isabel, or Sicily: A Pilgrimage (1839); two volumes of verse, Poems (1851) and A Sheaf of Verse (1864); Thoughts on the Poets (1864), The Book of the Artists (1867), Leaves from the Diary of a Dreamer, etc. He was prominent in the literary life of New York City after 1845."
> http://en.wikipedia.org/wiki/Henry_Theodore_Tuckerman
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
19:56
0
reactie(s)
rubrieken curricula
"Catherine Pozzi (1882-1934) was a French poet and woman of letters. Catherine Pozzi was born in an aristocratic and bourgeois environment at the end of the 19th century, to Samuel Pozzi, surgeon and gynecologist, and Thérèse Loth-Cazalis. (...) At the age of 19, she read the published diary of Marie Bashkirtseff, and it had a profound effect upon her, spurring her to write intensely in her own journal. (...) Around 1910, she began to exhibit symptoms of tuberculosis, from which she suffered until her death."
> http://en.wikipedia.org/wiki/Catherine_Pozzi
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
19:54
0
reactie(s)
rubrieken curricula
"Sergei Yesenin (1895-1925) was a Russian lyrical poet. (...) Although he was one of Russia's most popular poets and had been given an elaborate funeral by the State, most of his writings were banned by the Kremlin during the reigns of Joseph Stalin and Nikita Khrushchev. Nikolai Bukharin's criticism of Yesenin contributed significantly to the banning. Only in 1966 were most of his works republished. Sergei Yesenin's poems are taught to Russian schoolchildren and many have been set to music, recorded as popular songs. The early death, unsympathetic views by some of the literary elite, adoration by ordinary people, and sensational behavior, all contributed to the enduring and near mythical popular image of the Russian poet."
> http://en.wikipedia.org/wiki/Sergei_Yesenin
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
19:53
0
reactie(s)
rubrieken curricula
"August Lafontaine (1758-1831) war ein deutscher Schriftsteller. (...) Zu seiner Zeit war Lafontaine einer der meistgelesenen Schriftsteller Deutschlands, aber später geriet er fast vollständig in Vergessenheit. Zu seinen berühmtesten Lesern gehören Napoleon, Franz Grillparzer, Joseph von Eichendorff und die Königin Luise von Preußen. Lafontaine ist Erfinder und zugleich Koryphäe der spießbürgerlich-moralisch-sentimentalen Richtung, die der Roman, wie das Drama unter Ifflands und Kotzebues Führung, in Deutschland zum Ende des 18. und am Anfang des 19. Jahrhunderts einschlug."
> http://de.wikipedia.org/wiki/August_Lafontaine
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
19:51
0
reactie(s)
rubrieken curricula
De grote Amerikaanse journalist, criticus en filoloog H.L. Mencken (1880-1956) dacht vaak na over de mensheid, en meestal in ongunstige zin. Waarom een kat geen kat noemen, zelfs als we er erg aan toe zijn? In Minority report brengt Mencken een grote fruitmand mee voor de zieke patiënt, maar die is alleen maar gevuld met zure appels. "The fact that I have no remedy for all the sorrows of the world is no reason for my accepting yours. It simply supports the strong probability that yours is fake."
Minority report is geen echt boek maar een notitieboekje, waarschuwt het Woord vooraf. En dat klopt. In 1956, het jaar van zijn dood, las H.L. Mencken zijn aantekenschriftjes door. Wat daar in stond, had altijd al gediend als grondstof voor zijn boeken, essays en pamfletten. Nu wou hij het restafval dat hij nergens had kunnen onderbrengen dumpen in een boek, om zijn hoofd vrij te maken. Zich daarmee voorzichtig plaatsend in de traditie van andere fragmentaristen als Pascal, Rochefoucauld, Amos Bronson Alcott en Henry Ward Beecher.
Minority report — er bestaat geen goed Nederlands woord voor, 'minderheidsstandpunt' is zo frêle — is het werkstuk van een moralist. Menckens notities bevatten morele en intellectuele standpunten. Ze gaan niet over concrete situaties, zelden over mensen en nooit over wat tot de persoonlijke levenssfeer behoort. Wat Mencken kennelijk het meeste bezighield, was de vraag 'hoe te leven?' en de bittere vaststelling dat alle antwoorden op die vraag te laat komen:
As I grow older I am unpleasantly impressed by the fact that giving each human being but one life is a bad scheme. He should have two at the lowest — one for observing and studying the world, and the other for formulating and setting down his conclusions about it. Forced, as he is by the present irrational arrangement, to undertake the second function before he has made any substantial progress with the first, he limps along like an athlete only half trained. His competitors, to be sure, are in the same case, and in consequence his inadequacy tends to be concealed, but it is there none the less, and I sometimes suspect that it may be the main cause of the blowsy vacuity which marks so much of the so-called thinking of mankind. What ails that thinking, two times out of three, is simply its disregard or large categories of essential fact — obvious, but not yet observed. Half in the light and half in the dark, the sage takes refuge in his feelings, which is almost as if a surgeon employed to cut off a leg should do so.Zeer oneigentijds is Menckens elitaire, anti-democratische grondhouding. Hij is het prototype van de bekwame man die er een hekel aan had door allerlei sociale regelingen gelijkgeschakeld te worden met minder bekwame mensen — "inferior men". Met "inferior men" bedoelt Mencken naar eigen zeggen: mensen die niet weten wat elke volwassene weet, die niet kunnen wat een normaal iemand in een paar weken kan leren, en zij die het kwade bewonderen. Dat zulke mensen rechten krijgen, werkt demoraliserend voor wie zich wel wil inspannen om ergens in te excellereren.
256Mencken gelooft niet in de mythe van de nobele gewone man of proletarische held. Offervaardigheid wordt altijd verspild aan de verkeerde goden, idolen en opvattingen. Een paar genieën zijn de motoren van de geschiedenis; de meeste mensen doen niets ter zake en leveren geen bijdrage aan de vooruitgang van de mensheid. Meer vrije tijd voor de gewone man hoeft niet, omdat hij die toch nutteloos zal besteden. De mens hééft geen edele ziel en ook anatomisch gesproken is de mens een potje haastwerk. Mencken gaat die vaststelling te lijf met bittere humor.
Democracy gives the naturally incompetent and envious man the means of working off his dislike of his betters in a lawful and even virtuous manner. Its moral effect is thus inevitably bad. It puts a premium upon one of the basest passions of mankind, and throws its weight against every rational concept of honor, honesty and common decency.
247Het standpunt heeft ook politieke gevolgen. Mencken is gekant tegen vakbonden en twijfelt openlijk aan algemene stemgerechtigheid: "All the rights and privileges of civilized man, under any democratic system, are similarly wasted upon worthless persons. The man who is barely human is treated as if he were the peer of Aristotle." Hij verwijt de Founding Fathers de vorming van een aristocratie te hebben ontmoedigd. In plaats daarvan hebben we in Amerika nu plutocratie; een bestuursvorm waarin geld ervoor zorgt dat de macht en de wetten door een groep kunnen worden bepaald. Soms laat zich nog weleens een dissidente stem horen, maar veel kan die niet uitrichten.
Man has to lug around a frame packed with defects, from imperfectly centered eyes to weakly arched feet. He has a poorly arranged spine which imposes too much weight on the fifth lumbar vertebra. He has a miserable arrangement of the gall bladder, which, by lying in him upside down and thus inhibiting the flow of bile, predisposes him to gallstones. He has a large bowel that requires muscular effort to force its contents up the ascending colon, and then shove them across the transverse colon to the descending one. He has an aorta which, as it leaves the heart, curves off too abruptly and lacks sufficient musculature to endure easily the volume of blood under pressure. He has poorly coated veins with a tendency to varicosis. He has a sagging exposed abdomen with a tendency to hernia.
13Op die manier laveert Minority report mooi tussen de verschillende heilsleren van voor de Tweede Wereldoorlog. Het stelt een derde weg voor, tussen democratie en totalitarisme in. Het communisme richt al zijn hoop op de industrie, het fascisme stelt het staatsbelang boven alles, de New Deal van Roosevelt (Menckens favoriete bête noire) spoort mensen ertoe aan geld op te potten, maar onder de huid van al deze modieuze evangelies houdt het individualisme van de mens stand. Dat doet het al eeuwen, zegt Mencken. Eigenbelang en materialisme zwengelen onze welvaart aan. Daarom moeten we ons hoeden voor idealisten — alle mensen die meer willen, en de boel niet gewoon de boel laten.
(…) A society made up of individuals who were all capable of original thought would probably be unendurable. The pressure of ideas would simply drive it frantic. The normal human society is very little troubled by them. Whenever a new one appears the average man shows signs of dismay and resentment. The only way he can take in such a new ideas is by translating it crudely into terms of more familiar ideas. That translation is one of the chief functions of politicians, not to mention journalists. They devote themselves largely to debasing the ideas launched by their betters. This debasement is intellectualy reprehensible, but is probably necessary to carry on the business of the world.
305Idealisten en mensen met een humanitaire inggesteldheid overschatten altijd het lijden van de mensen waarmee ze sympathiseren. Een arbeider aan het pompstation, die moét wel een saai en betekenisloos leven leiden. Maar neen, zegt Mencken, die man is daar best blij mee en ziet zijn werk niet zelden als een zinvolle bezigheid die hem vervult met de nodige trots. Mencken oppert enkele stellingen die Isaiah Berlin twee jaar later beter zal uitwerken. Om te beginnen zijn een democratische staatsinrichting en vrijheid niet onlosmakelijk met elkaar verbonden.
It is not materialism that is the chief curse of the world, as pastors teach, but idealism. Men get into trouble by taking their visions and hallucinations too seriously. The lowly hind, pausing in the furrow to mop his brow, dreams a dream of high achievement in the adjacent city. Ten years later there is a plow standing idle — and another victim of capitalistic tyranny is laboring as a bus conductor.
108Bovendien wíllen de mensen geen vrijheid, maar veiligheid en privileges. Niet in de laatste plaats wordt dat bewezen door de verknochtheid van mensen aan opperwezens en religieuze leidsmannen. God is de laatste wijkplaats voor de incompetente, de hulpeloze, de ellendige en voor alle mensen die er domweg niet bij kunnen dat ze er ooit niet meer zullen zijn. De capaciteit van mensen om in evidente leugens te geloven, grenst aan het oneindige, volgens Mencken. Maar hij wil dat niet zomaar laten passeren. Hij is een New Atheist avant la lettre. Neen, zegt hij, het gaat niet op dat religieuze opvattingen boven alle kritiek verheven mogen zijn.
The freedom of nations is of little human value. It is only the liberty of the individual that counts. Imperialistic conquest often actually widens it. This is obviously the case in India. In the days of native rule no citizen had any rights whatsover. Under the English he has a long series of them, and some of them are more or less real and valuable.
1Voor een vrijdenker is Mencken overigens opvallend gefascineerd door religieuze onzin, daar waar een echte ongelovige hond gewoon verveeld de schouders ophaalt. Misschien komt dat omdat hij de hete adem van de aartsbisschop in zijn nek voelde, die net als hij in Baltimore woonde. Enfin, vaak dient religie in zijn notities ook als afstootblok. Tegen religie en andere vormen van metafysica en speculatieve astronomie, tegen idiots, morons en quacks, is er maar een remedie: gezond verstand. Common sense heeft echter niets te maken met de opvattingen van de gewone man in de straat, de common man. Integendeel. Gezond verstand is gebruik maken van alle beschikbare bewijs en niets dan dat. Bewijs dat geruggesteund wordt door zintuiglijke waarneming, die op zijn beurt wordt versterkt en gefinetuned door de wetenschap. Wetenschap verschilt daarin grondig van de filosofie, dat maar al te vaak kamergeleerdheid is zonder veldwerk.
We must respect the other fellow’s religion, but only in the sense and to the extent that we respect his theory that his wife is beautiful and his children smart.
412Het drama is dat de bevindingen van de wetenschap haast per definitie moeilijk zijn, én moeilijk uit te leggen. Daarom wordt de wetenschap naarmate ze vordert altijd op de voet gevolgd door kwakzalvers en foute uitleggers die hun kronkelige metafysische aannames altijd willen wringen in het ontluisterend materiële wereldbeeld dat de wetenschap hen voorhoudt. En zo blijven we in rondjes draaien. De meeste mensen ontberen sowieso de fantasie om de implicaties van de wetenschap te snappen en hebben een hekel aan de gestrengheid en zuiverheid van wetenschap. Een dedain dat overigens wordt gedeeld door filosofen, die hun werkwijze natuurlijk het ware primaat van betrouwbare kennis achten. Quod non.
Science, at bottom, is really anti-intellectual. It always distrusts pure reason, and demands the production of objective fact. The so-called philophers who still survive in the world (just as fortune-tellers and witch-doctors survive) argue that a scientist cannot carry on his business without some grounding in metaphysical theory, but for this there is no evidence whatsoever; on the contrary, the career of almost any competent scientifico proves that it is false. All the metaphysical equipment he really needs is contained in common sense, and he shares it with carpenters and bricklayers. Whenever he steeps beyond it he gets into difficulties, and very often he comes dramatically to grief. Some of the great glories of science, including many who have adorned the non-physical sciences, have been as innocent of meta-physical theory as so many police lieutenants. The business of a man of science in this world is not to speculate and dogmatise, but to demonstrate. To be sure, he sometimes needs the aid of hypothesis, but hypothesis, at best, is only a pragmatic stop-gap, made use of transiently because all the necessary facts are not yet known. The appearance of a new one in contempt of it destroys it instantly. At its most plausible and useful it simply represents an attempt to push common sense an inch or two over the borders of the known. At its worst, it is only idle speculation, and no more respectable than the soaring of metaphysicians.
430En zoals wetenschap klaarheid probeert te scheppen over de wereld rondom ons, moet de schrijver klaarheid betrachten in zijn schriftuur. Iets wat Mencken maar na zijn dertigste doorhad.
It is argued that metaphysics is necessary to man, and that common sense cannot meet his needs. This is nonsense. Every man, of course, subscribes to some theory of knowledge, but usually it is very simple: he believes he knows whatever the evidence of his sense tells him. All the acts of daily life are regulated on this basis of common sense. We are born, live and die by it. Metaphysics in the more pretentious sense never really enters into our lives. All governments are run by common sense; wars are made by it; it is at the heart of all trade, as of all science. Only religion and poetry depart from it, and neither is a living reality to most men. To the rest, even although they may be pious, religion is only a form. They accept it without grasping its metaphysical structure, or even suspecting that it has such a structure. They assume almost always that it is grounded, like other ideas, on common sense — as it is, indeed, to a very large extent, for every theological system tries to justify itself on common-sense grounds. That justification may not be its major one, but nevertheless it is an important one.
432
(…) The imbeciles who have printed acres of comment on my books have seldom noticed the chief characte of style. It is that I write with almost scientific precision — that my meaning is never obscure. The ignorant have often complained that my vocabulary is beyond them, but that is simply because my ideas cover a wider range than theirs do. Once they have consulted the dictionary they always know exactly what I intend to say. I am as far as any writer can get from the muffled sonorities of, say, John Dewey.

The female moron, in her capacity as parasite, is frequently able to conceal her low intelligence, for the world is very apt to judge women by their clothes.Of van nr. 377?
If all the farmers in the Dust Bowl were shot tomorrow, and all the share-croppers in the South burned at the stake, every decent American would be better off, and not a soul would miss a meal.Wat dat betreft ziet Boeklog Mencken als een provocateur van het type Theo van Gogh. Misschien. Maar zonder nauwkeurige biografische details te kennen, vermoed ik dat Mencken ook een kind was van zijn tijd. Vergeet niet dat Amerika de natie met de op één na grootste eugenetische beweging was. Vanaf 1896, lees ik op Wikipedia, werden in veel staten wetten bekrachtigd waarin het epileptische en zwakzinnige mensen verboden werd te trouwen. In 1924 werd de Immigration Restriction Act aangenomen, waarbij eugenetici voor het eerst een rol speelden bij debatten in het Congres als expert-adviseurs over de dreiging van de komst van volkeren uit Oost- en Zuid-Europa.
Deze wet beperkte het aantal immigranten aanzienlijk en versterkte bestaande wetgeving die rassenvermenging verbood. Eugenetische beschouwingen vormden ook de grondslag bij de aanname van incestwetten in grote delen van de VS, en werden gebruikt om apartheidswetten te rechtvaardigen. Tussen 1907 en 1963 werden in de VS onder eugenetische wetgeving meer dan 64 000 mensen gedwongen gesteriliseerd. Een positief rapport over de resultaten van de sterilisaties in Californië (waar verreweg de meeste sterilisaties werden uitgevoerd), werd door nazi-Duitsland aangegrepen als bewijs dat een uitgebreid sterilisatieprogramma uitvoerbaar is en humaan zou zijn. Toen nazi-beleidsmakers na de Tweede Wereldoorlog in Neurenberg terechtstonden voor oorlogsmisdaden, rechtvaardigden ze hun grootschalige sterilisaties (meer dan 450 000 mensen in minder dan tien jaar) door de VS aan te wijzen als hun inspiratiebron.Soit. De vraag die me voorlopig het meeste bezighoudt, is hoe Mencken zijn misantropie rijmde met zijn journalistieke werk, dat hem per definitie dwong mensen op te zoeken.
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
22:24
0
reactie(s)
rubrieken opinio
Uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts maakt al jaren goede sier met sympathieke autobiografieën van Bekende Vlamingen. Neem een kijkje in de Standaard-boekhandel: Ik ben God niet van Frank Vandenbroucke, Met hart en soul van Natalia of Overleven van Jean-Marie Pfaff. Opvallend is dat ook dertigers complexloos met hun levensverhaal op de proppen komen. Superheld van Alex Agnew — mooi uitgegeven door Linkeroever — past in dat rijtje. En toch ook weer niet.
Typisch voor het soort boeken waar ik op doel, is dat er nauwelijks iets in staat dat de geïnteresseerde leek nog niet weet. Integendeel, zo'n autobiografie laat nog eens alle bekende hoogtepunten en dieptepunten uit het leven van de revue passeren, ingebed in de vaak afgezaagde herinneringen van de auteur. Alsof de lezer in een vertrouwd familiealbum bladert, of luistert naar een sterk verhaal op café. Vaak bevatten de boeken ook echt een nostalgisch fotokatern. Ze zijn dan ook vooral handig voor wie al fan was: het boek kan in de kast, de eigen knipselmap in de prullenmand.
In weerwil van hun naam zijn de meeste van die autobiografieën trouwens niet zelf geschreven. Het verhaal van de BV wordt 'opgetekend', zoals dat zo mooi heet, door een journalist of ghostwriter. Daarom zijn ze ook altijd te dik: het zijn bijna letterlijke transcripties van cassettebandjes.
Omdat ze niet zelf geschreven worden, zijn het eigenlijk verkapte biografieën. En met die wetenschap wordt het mogelijk een paar andere gebreken van het genre op te sporen. In het aardige boekje De zeven hoofdzonden van de biografie maakt Hans Renders, directeur van het Biografie Instituut, een onderscheid tussen twee types biografieën, de low en de high biography. De termen 'low' en 'high' slaan niet op het onderwerp (populaire en hoge cultuur) maar op de werkwijze van de biograaf. In het Nederlands spreek men van een commeroratieve biografie en een kritisch interpreterende biografie. De autobiografietjes die ik in de inleiding aanhaalde blijken nogal wat gemeen te hebben met de commeratieve biografie.
De commemoratieve biografie verschijnt meestal naar aanleiding van herdenkingen en jubilea. Mannen en vrouwen (dood of levend) die zich in het openbare leven opvallend hebben gemanifesteerd, worden bedacht met een biografie die hun reputatie luister bijzet. De kritisch interpreterende biografie daarentegen baseert zich op uiteenlopend bronnenonderzoek, zowel persoonsgebonden (brieven, dagboeken, gesprekken...) als meer indirecte bronnen (kranten, getuigenissen...).
Het is niet zo dat een kritische biografie alleen maar feiten presenteert, en dat zo'n biograaf zijn fantasie achterwege laat. Dat is onmogelijk: voorstellingsvermogen is altíjd nodig om tot een synthese te komen. Wie zijn bronnen het verhaal laat structureren, ontbeert een overkoepelende visie die het materiaal bindt. Wél gaat de kritische biograaf uit van een paar duidelijk omlijnde onderzoeksvragen die hij in de loop van de tekst probeert te beantwoorden, waar een commeratief biograaf alle informatie verzamelt die hij te pakken kan krijgen om daarmee een feestelijke tekst te componeren.
Hét grote verschil tussen een kritische en commemoratieve biografie is echter dat in de commemoratieve biografie de gebiografeerde eerder in zijn uniciteit bevestigd wordt. De verzetsheld wordt meer verzetsheld, de voetballer wordt nog meer bijzonder dan we al dachten. In een kritische biografie worden figuren meer als typisch voor een bepaalde tijd, omgeving of bevolkingsgroep geïnterpreteerd. Bij een autobiografie schrijft een auteur vooral vanuit zijn eigen herinneringen. Zelfoverschatting en zelffelicitatie liggen daarbij altijd op de loer (de autobio van Paul Jambers telt 717 bladzijden). Maar een mens is grotendeels het product van de tijd, de tijdsgeest, de opvattingen van zijn milieu en de mensen die hem omringen. Wie dat over het hoofd ziet, bedondert de kluit en vertelt slechts de helft van het verhaal.
Wat vind jij, Geert?
Om alle misverstanden voor te zijn: Superheld werd overduidelijk door Alex Agnew zelf geschreven. In de — matig gestileerde — broodtekst vertelt hij waar hij vandaan komt, schetst hij zijn gezinssituatie, de klim naar de top, de tol van zijn eigengereide aanpak. Zoals ik al voorspelde: enige zelfgenoegzaamheid ("Ook in mij zit er zo’n ongelooflijk diep gewortelde fuck you naar eender welke vorm van autoriteit") is hem daarbij niet vreemd, en wie verder wil kijken dan Agnew en iets wil opsteken over het functioneren van het Vlaamse comedywereldje en de belangrijke spelers achter de schermen, komt bedrogen uit. Ook over de zakelijke kant geen woord.
Maar er is meer. De doorlopende tekst wordt doorsneden met samples uit de drie zaalshows van Agnew. Het zijn echter fragmenten die dood op de pagina blijven liggen: ze hebben de energieke performance, de stem en de stemmetjes van de komiek nodig om tot leven te komen; daar steekt het cursiveren van woorden wel heel bleek bij af. Een van Agnews grote helden, George Carlin, pakte het beter aan en bedreef in zijn boeken een zeer talige humor. Als ik moest lachen met iets uit Superheld, dan was dat omdat ik het origineel kende met de juiste timing en intonatie.
Wat heben godsdiensten ook altijd met hoofdbedekking?Toch heb ik dit boek graag gelezen. Als fan. In zijn rayon van de podiumkunsten — microfoon in de knuist en loos gaan — vind ik Alex Agnew simpelweg de top in Vlaanderen. Ik denk met weemoed terug aan de biertent waar ik 'm in 2002 voor het eerst zag optreden. Een revelatie. Tranen in de ogen van het lachen. Want eindelijk zag ik een komiek aan het werk die het ook eens over mijn leefwereld en mijn jeugd had, over de films en popcultuur die ík kende. Agnew was ook meesterlijk met geluiden — een onderdeel van zijn act waar hij zich naar mijn smaak te veel voor excuseert.
Chassidim dragen van die zotte potsen, katholieke priesters dragen een trapezium op hun hoofd… Alsof een mens altijd iets op zijn hoofd moet zetten.
“Het is godsdienst? Tijd voor een zotte hoed!”
Er zijn vandaag wel heel wat mensen die willen claimen dat ze grondleggers waren van de stand-upcomedy in Vlaanderen, maar dat klopt niet helemaal. Luk Wyns en Jacques Vermeire brachten onemanshows, maar dat is nog altijd een ander beestje. Zij brachten sketches die van de eerste tot de laatste letter uitgeschreven waren. Ook Urbanus wordt genoemd als grondlegger van de comedy in Vlaanderen, wat vreemd is aangezien hij dat ook zelf ontkent. Urbanus was een folkzanger wiens bindteksten grappiger bleken dan zijn songs. Maar hij keek niet op naar Dave Allen of Lenny Bruce, zijn helden waren protestzangers als Bob Dylan. Wouter Deprez en Wim Helsen maakten dan weer eerder komische theatermonologen dan stand-upcomedy.Als zielsverwanten van die eerste lichting noemt Agnew mensen als Nigel Williams en Thomas Smith. Raf Coppens en Bert Kruismans vond hij "te Vlaams". Hij wou het anders aanpakken (geen cabaret, geen piano op het podium) en zou beslist andere onderwerpen aansnijden (géén koers, voetbal, Verhofstadt, paus of prins Filip). Wanneer Agnew zichzelf typeert in Superheld, legt hij meteen goed bloot wat ook mij zo verveelt aan veel andere grappenmakers hier te lande.
Ik wilde het hebben over mijn eigen wereld, de wereld van Star Wars en Transformers. Partijpolitiek of het koningshuis interesseerden mij voor geen meter, nog steeds niet trouwens. En ik zou wat gedurfdere onderwerpen kiezen, dingen die me echt bezighielden, zoals de menselijke gedachten achter een bepaalde ideologie. Ten slotte zou ik me ook door mijn manier van spelen, door dat snelle en agressieve en Amerikaanse, van hen onderscheiden. En het heeft geloond om mijn eigen koers te varen.Comedy vertrekt bij Agnew vanuit hemzelf, schrijft hij. Vanuit zijn interesses, zijn omgeving, zijn bezigheden en vanuit zijn persoonlijkheid. Wie naar zijn shows komt kijken, weet wie hij is en hoe hij over de wereld denkt. Of heeft daar toch een vermoeden van. Andere komieken zijn daar anders in. Agnew fileert perfect de middenstandersmentaliteit van zo'n Geert Hoste:
Geert Hoste vertrekt altijd vanuit de actualiteit, hij gebruikt artikels uit de krant en BV-nieuwtjes om daar een show rond te bouwen. Maar na twintig jaar Geert Hoste weet ik alleen welke krant hij leest. Ik heb er geen idee van wie hij is of hoe hij bijvoorbeeld écht over het koningshuis denkt. Van waaruit vertrekt zijn frustratie over de politiek of de maatschappij? Waarom maakt het hem iets uit wat Verhofstadt doet? Waarom is Brussel-Halle-Vilvoorde voor hem een punt? Waarom is Ignace Crombé voor hem een frustratie? Er schijnt geen persoonlijk, geen visie door. Ik zie geen mens, ik zie iemand die de gazet heeft gelezen en daar mopjes over heeft verzonnen. Iedereen heeft daar toch zijn eigen idee over? Ik vind dat koningen komen van een nobele, adellijke lijn van moordenaars en plunderaars en veroveraars en sadistische, smerige machtswellustelingen die door eeuwen inteelt zijn geworden tot die zielige bende debielen die ze nu zijn. Wat vind jij, Geert?Klappen
Pas als je er een viool bijhaalt, ben je goed. Als je een cover van Jacques Brel brengt, ben je de beste. Al die zogezegd diepzinnige navelstaarderij lappen wij gewoon aan onze laars. Fuck it! Wij willen ons amuseren. Als ik een gegarandeerd succes wil in onze contreien, dan bel ik wel even naar Mauro Pawlowski, Tim Vanhamel of die verlopen fooraap Arno, gedragen we ons wat verward en verwaand en we zijn binnen. Alles wat we doen, wordt dan automatisch kunst.Wat me tot slot trof in het boek, is een opmerking die Agnew al vroeg maakt. Elke dag leest hij drie kranten, zegt hij, "een populaire krant, een regionale krant en een krant voor de meerwaardezoeker". Het drukt me nog maar eens met de neus op het feit hoe belangrijk kranten zijn. Niet als overbrenger van gedegen informatie, maar als voederbak voor alle andere media die op dagelijkse basis moeten zien te overleven — rivaliserende kranten, de journaals, de DWDD’s van deze wereld. Agnew verklaart onbewust waarom stand-up comedians goed scoren in programma's als De slimste mens ter wereld. Niet omdat ze zo slim zijn, maar omdat tv-redacties ook weer diezelfde kranten afgrazen op namen, feiten en feitjes. Nooit op samenhangende verhalen of het grotere kader.
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
18:15
0
reactie(s)
rubrieken opinio
Walter van den Broeck wordt zeventig vandaag. Dit weekend werd de jarige al op geheel eigen wijze gefêteerd door Herman Brusselmans. "Brusselmans heeft van de hyperbool zo'n versleten stijlfiguur gemaakt dat hij volledig ongeloofwaardig is geworden," sputterde een van de vaste reaguurders tegen. Misschien. Maar het stuk was ook een van de zeldzame keren dat Brusselmans een collega looft, Reve en Salinger niet te na gesproken. Alleen daarom krijgt de tekst gewicht voor mij.
Het artikel deed me in mijn digitale rommelkast kijken wat ik zelf van Walter van den Broeck heb gelezen — die overigens een van de grote afwezigen is in Literatuur etcetera van Pieter Steinz. Het was beschamend weinig. Een paar boeken, geen enkel hoofdwerk. Ik heb WvdB meteen genoteerd op mijn lijst goede voornemens voor volgend jaar. Vlaamse literatuur: als ik er geen huiswerk van maak, komt er niets van in huis.
Het is ook alweer tien jaar geleden dat ik Een lichtgevoelige jongen las. Ik weet nog dat ik dat boek aantrof in een taxfree boekenwinkel in Zaventem. Ik schrok me een ongeluk bij het zien van die titel. Ik was een jaar of twintig en ik dacht toen nog dat ik de wereld moest verblijden met een eigen roman. Iets over een fotograaf die zo gevoelig is voor licht dat zijn stemming eronder lijdt. En dan die titel. Had Van den Broeck dat thema al ingepikt? (Neen. Maar kort daarna ontdekte ik dat de Poolse schrijver Andrzej Stasiuk in Dukla mooier over de uitwerking van licht had geschreven dan ik ooit zou kunnen. Exit romanambities.)
Een lichtgevoelige jongen gaat over een klein ventje dat met zijn "kodak" zaken op de gevoelige plaat vastlegt die het daglicht niet mogen zien. Het rolletje moet dus onklaar gemaakt. Mensen die Van den Broecks oeuvre beter kennen dan ik, weten dat deze twaalfjarige Stijn ook in de Olense Koperstraat woont, net als de hoofdpersoon van Brief aan Boudewijn. Het verhaal is allicht vooral aardig voor wie net die grote werken niet kent. Nu kon ik zonder ballast genieten van het tijdsbeeld dat Van den Broeck neerzet. De Vlaamse jaren vijftig, diep in de provincie.
De Koreaanse oorlog is volop aan de gang en in de VS worden de atoomspionnen Ethel en Julius Rosenberg geëxecuteerd. Maar in een gat als Olen, de geboorteplaats van de schrijver en de held van het boek, kabbelt de tijd rustig voort, hoewel de Derde Wereldoorlog soms akelig dichtbij lijkt. Boven de tafel hangt een koperen petroleumlamp met daaraan een lijmlint dat zwart ziet van de vliegen. Een ingelijste foto van Harry Truman hangt onder opa’s pijpenrek (‘Hij had MacArthur zijn goesting moeten laten doen en hem de Chinees een paar atoombommen op zijn kloten laten gooien'). Tandverzorging is nog niet geheel ingeburgerd zodat iemands gebit eruit ziet "als het kruiswoordraadsel in de Volksgazet".
Ter ontspanning lezen de mensen de avondliedekens van Alice Nahon. Voor de jonge garde is de buurtcinema een belangrijk instituut om contact te houden met de dromen van de rest van de wereld. Soms brengt nonkel Kamiel straffe verhalen mee uit de Congo, over een missionaris die wordt opgegeten "door miljarden mieren." 's Zondags gaat men ter kerke, in een kerk met een groot roosvenster en een ruime deur met ijzerbeslag. Want de Vlamingen zijn nog zeer katholiek, meneer. Voor de vorm toch. Dronkenschap, vechtpartijen, wildneuken en ongewenste zwangerschappen zijn ondertussen niet van de lucht.
Akkoord, op een kruis genageld worden, hevige dorst lijden en niets te drinken krijgen, wat azijn uit een spons daargelaten, en dan op het einde nog een steek in uw zij met een pas geslepen speer moeten verduren, het was allemaal niet niets, maar geroosterd worden op een klein vuurtje zoals Sint-Laurentius, dat was toch straffere tabak vond ik. En geestig was hij ook, Sint-Laurentius. Geef mij uw rijkdommen, had die valse Romein tegen hem gezegd. Met een brede armzwaai had Sint-Laurentius toen naar zijn doodarme gelovigen gewezen. Hun armoe is mijn rijkdom, had hij geantwoord. Die Romein had daar niet mee kunnen lachen en smeet hem op een rooster. Sint-Laurentius zijn specialiteit was sindsdien brandwonden en brandgevaar in het algemeen. Hij stond daar waarschijnlijk speciaal voor ‘t werkvolk aan de hoogoven en in de gieterij. Met hem had ik een geheim verbond omwillen van die rooster en die mop.Het boek beschrijft de gebeurtenissen van één dag, 22 juni 1953, in het dorpje Olen, waar de schrijver een denkbeeldige buitenwijk heeft aan toegevoegd. Dit Klein Korea, bevolkt door een handvol landbouwgezinnen (door de mensen van de Cité 'boerenkloten' genoemd), dankt zij naam aan drie bewoners die als vrijwilligers naar de Korea-oorlog zijn vertrokken. Ook Stijn kijkt met enig dedain naar de overkant, 'Overdevaart'.
Ze hadden niets, die van Overdevaart. Net zomin als die van Achterdekerk. Wie, Lowie, Wettewa, Tetten en ik, hadden Toudfabriek, Tnieffabriek en de hele Cité.Het is vlak voor de zomervakantie. De kinderen hebben een middag vrij van school omdat er over de nieuwe spelling moet worden vergaderd. Ze trekken trekken de weilanden in, de Cité uit naar het gebied dat Overdevaart heet — in de nog jonge wereld van Stijn worden karakteristieken omgesmeed tot robuuste substantiveringen. Felix, een van de vriendjes van Stijn, vertelt dat er zich bij hun boerderij infanteriesoldaten hebben ingegraven om een verwachte eenheid para's te verschalken. Niet ver van Olen ligt een militaire basis, die mee zal doen aan een legeroefening onder de codenaam Newborn ("Njoeborn"). De oefening zou bedoeld zijn om de soldaten gevechtsklaar te maken. Die zouden immers over een paar weken naar Korea vliegen om daar tegen de communisten te gaan vechten.
O, Martha, raak mij aan en leer het mij, want ik versta niets van de wereld, ik wil er zo gauw mogelijk uit verdwijnen. Ik wil opstijgen, samen met u als het kan, naar het sprookjesachtige binnenste van de wolken die daar boven Geel steeds hoger lijken te worden en weer naar ons toe lijken te drijven. Naar de diepblauwe rivieren met de hagelwitte zeilboten, naar de gouden steden met de slanke minaretten, naar de groene oases met de schaduwrijke palmbomen.Het wordt een dag vol inwijdingen. Voor de eerste keer waagt Stijn zich buiten de kom van het dorp, voor het eerst drinkt en steekt hij een sigaret op, en op een gegeven moment zit er zelfs seks, echte seks, aan te komen. Het is helemaal conform het karakter van Overdevaart, dat bevolkt wordt door boersere, ongeremdere types dan in de Cité en in de ogen van Stijn langzaam iets aantrekkelijks krijgt. De lessen die hij op school heeft geleerd zijn hier opeens niet meer van tel. Hier gelden natuurwetten.
‘Om te poepen met veel schuim doe dan Persil in de pruim !’Maar echte inwijding gaat natuurlijk gepaard met het verliezen van onschuld. Van den Broeck weet dat. De legeroefening zakt daarom als een pudding in elkaar, omdat de vijand niet komt opdagen. Voeg daarbij de hitte, die de verveelde soldaten goed bronstig maakt, en je weet wat er staat te gebeuren: zwijnerijen, handgemeen en zattepraat. Overdevaart wordt alsnog een slagveld, met soldaten en boerenzonen die elkaar naar het leven staan.
Dat riep Tetten vanaf een weipaal. Hij spreidde plechtig de armen zoals Christus aan het kruis en sprong er meteen na zijn mededeling weer af. Kommenist en zijn broers lachten een lach die als ijswater over mijn rug liep. Natte gaf Tetten een vriendschappelijke hengst tussen de schouderbladen die hem languit in het gras deed belanden. Weer gelach. Ook van de vrouwen nu. En zelfs van Martha.
Zonder spiegel zou ik zelf nooit op de gedachte komen dat ook ik hoofdhaar, een voorhoofd, wenkbrauwen, een neus, een mond en een kin kon hebben. Zonder spiegel zou ik geloven dat mijn hele leven gezicht één groot kijkgat was.De laatste dertig bladzijden zijn de beste van het boek. Walter van den Broeck is een van die schrijvers die zich moeite getroost om mensen op te voeren in de volkstaal, zonder daar helemaal mee samen te willen vallen en zo zijn eigen parodie te worden, zoals Leo Pleysier.
Voor Cyriel, Stijn, Nest, Felix, Gerard, Lowie, Piet, Hugo en al die anderen.Ik van mijn kant voel nog altijd aarzeling om het werk Cyriel, Stijn, 'Nest', Gerard, 'Lowie' en Felix in te duiken — Hugo vormt geen probleem, omdat hij zoveel toevoegt —, en ben daarom blij dat Van den Broeck die naturalistische school gedurende zijn hele carrière heeft willen updaten. Maar het wordt tijd voor zijn grote boeken. Volgend jaar. Beloofd.
De tijd zal maandag 22 juni 1953 zij, de plaats zo min of meer mijn geboortedorp waaraan ik pour le besoin de la cause Klein Korea zal toevoegen, een onbestaande wijk in de buurt van de Mosselgoren, plus café De Verloren Duif, café De Zegge en nog een paar kleinigheden.
Echte en verzonnen personages zal ik door elkaar gebruiken. Echte en fictieve gebeurtenissen zal ik bij elkaar verzinnen zoals jullie het mij hebben voorgedaan.
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
18:46
0
reactie(s)
> http://en.wikipedia.org/Historical_regions_in_Austria
> http://en.wikipedia.org/Historical_regions_in_the_Czech_Republic
> http://en.wikipedia.org/Historical_regions_in_Germany
> http://en.wikipedia.org/Historical_regions_in_Poland
> http://en.wikipedia.org/Historical_regions_in_Romania
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
15:31
0
reactie(s)
rubrieken wikipedia
"Geschiedenis wordt geschreven door overwinnaars, en dat geldt nergens zo sterk als in de wetenschapsgeschiedenis." Zo staat het op de kaft van Het kerkhof van de wetenschap. Met de stukken in dit boekje, eerder verschenen in de wetenschapsbijlage van het Parool, wil Hans van Maanen eerherstel geven aan de wetenschappers wier opvattingen de toets der kritiek niet konden doorstaan. Zij zijn immers niet de onnozele halzen voor wie we hen dreigen te verslijten.
Het is simpel. De geschiedenis van de wetenschap bevat meer dwalingen en weerleggingen dan ijzeren theorieën. Dat is niet erg en moet zeker niet worden verdoezeld, vindt Hans van Maanen, want "het vormt de kern van het onderscheid tussen godsdienst en wetenschap, tussen zekerheid en twijfel, tussen astrologie en astronomie".
Essentieel in de wetenschap is het wieden van foute opvattingen. Maar omdat we meestal de succesverhalen van de wetenschap te horen krijgen — met Galilei, Newton, Darwin en Einstein als boegbeelden — vergeten we dat snel. We hebben de neiging de moderne inzichten als de enig mogelijke, de noodzakelijk juiste, te zien. Omdat het heden de maatstaf voor het verleden wordt, wordt de kwaliteit van de oude opvattingen afgemeten aan de huidige. Die reflex is fout, zegt Van Maanen.
De moderne wetenschap deugt niet. De wetenschap van de zeventiende eeuw deugde niet, die van de achttiende en de negentiende eeuw zat eveneens vol fouten, dus er is geen enkele reden om aan te nemen dat die van de twintigste eeuw wel klopt. Natuurlijk, de missers van de theorieën uit vervlogen tijden zijn eruitgehaald — dat is vooruitgang — maar ‘onomstotelijk’ zijn wetenschappelijke theorieën nooit.Als Het kerkhof van de wetenschap dus iets wil, is het aanmanen tot bescheidenheid. Mensen die vroeger foutieve ideeën aanhingen, waren niet dom, en nogal wat slimme mensen van nu zullen er later helemaal naast blijken te zitten. De juistheid van een theorie heeft immers weinig te maken met de intelligentie van de wetenschapper. Franz Joseph Gall (1758-1828) ontwikkelde rond 1800 de frenologie: de theorie die stelt dat aanleg en karakter bepaald worden door de groei van bepaalde hersendelen. Het karakter zou dan afgeleid kunnen worden uit de vorm van de schedel, die bepaalde knobbels zou vertonen. Niet juist, bleek later. De lijst aanhangers van de frenologie was echter indrukwekkend: van Bismarck, en Marx tot Balzac en de Brontës, van de Amerikaanse president Garfield tot de Britse koningin Victoria.
De wiskundige Karl Friedrich Gauss kwam in 1802 met het voorstel dennen in de steppes van Siberië te planten in de vorm van een meetkundige figuur die de stelling van Pythagoras zou illustreren. De Weense astronoom Von Littrow wilde kanalen in de Sahara graven om die met benzine op te vullen en ’s nachts aan te steken, en zo waren er ook plannen om via grote, beweeglijke holle spiegels boodschappen in het Marsoppervlak te branden.De kleine afwijking wordt vermenigvuldigd
Lavoisier hield vast aan de regel dat er tijdens een scheikundige reactie nooit massa verdwijnt of bijkomt. Het probleem daarbij was, dat gassen moeilijk te wegen waren. Lavoisier ontwierp ingenieuze apparatuur waarmee hij gas in een afgesloten vat kon houden en dus kon nagaan of er sprake was van gewichtsverandering. Zo verbrandde hij zwavel en fosfor, en ontdekte dat het gewicht van de lucht inderdaad afnam terwijl de gevormde zwavel- en fosforverbindingen navenant zwaarder waren geworden. Hij concludeerde dat de lucht — of, waarschijnlijker, een of andere stof uit de lucht — aan de reactie had deelgenomen.Bij momenten is de geschiedenis van de wetenschap best aandoenlijk. Niet in het minst omdat grote theorieën vaak onderzocht dienen te worden met weinig tot de verbeelding sprekende methodes en proefobjecten. Het Lamarckisme werd onder meer getest door muizenstaarten af te hakken. Lintwormen speelden een belangrijke rol bij het onderzoek naar spontane generatie. Bij het vraagstuk van de preformatie werkte men met kippeeieren.
Een race met de Britse onderzoeker Priestley en de Duitser Scheele resulteerde in de ontdekking van zuurstof. In een artikel uit 1777 toonde Lavoisier aan dat verbranding niet het ontwijken van flogiston is, maar het reageren met zuurstof. Niet de roest en het erts zijn elementair, maar de metalen. Toen hij zich er ook nog van overtuigd had dat water is samengesteld uit waterstof en zuurstof, was hij klaar voor een frontale aanval op de alchimie en de flogiston-theorie en kon hij de nieuwe scheikunde van de grond af opbouwen.
Een intelligentie, die, op een zeker moment, alle krachten die in de natuur werken, en de toestanden van alle elementen, waaruit deze is opgebouwd, zou kennen, zou, als ze overigens groot genoeg was om al deze gegevens te kunnen analyseren, in een enkele formule de beweging van de grootste lichamen in het heelal en die van het kleinste atoom beschrijven: niets zou hiervoor onzeker zijn, en de toekomst, net zoals het verleden, zou tegenwoordig zijn in haar ogen. De menselijke geest, die de sterrenkunde zo volmaakt heeft leren beschrijven, vormt een flauwe afspiegeling van zo'n intelligentie.Als we zijn redenering volgen zegt hij dus volgens Wikipedia het volgende: 1. De huidige toestand van het universum is een gevolg van een vorige toestand. 2. De huidige toestand is dan weer een oorzaak van de toestand die daarop volgt. 3. Stel nu dat een intelligent wezen (geest) op gelijk welk ogenblik een precies inzicht zou hebben in de krachten van de natuur die hierbij aan het werk zijn... dan zou het zowel de toekomst als het verleden van om het even welke entiteit kennen. Hans van Maanen somt in zijn boek echter de bezwaren op tegen het determinisme die in de loop van de twintigste eeuw werden geformuleerd.
Zo’n intelligent wezen dat de toekomst kan voorspellen, zou dat zelf niet complexer zijn dan het hele universum — en zou het bovendien niet ook zichzelf in de beschouwingen moeten betrekken? Hoe zal zijn gedrag zich ontwikkelen, en hoeveel invloed heeft dat weer op de wereld?Maar zelfs al volgt de wereld strikt deterministische wetten dan zal de mens er toch niet in slagen de toekomst te voorspellen. Edward Lorenz (1917-2008) toonde in de jaren vijftig aan dat gekoppelde differentiaalvergelijkingen instabiel kunnen zijn. Dat betekent dat fouten in de numerieke berekening in de tijd steeds groter worden. Lorenz wou het weer voorspellen maar merkte dat bij voorzichtig afgeronde getallen (lees: met afwijkingen van een duizendste) de computer al een volstrekt ander weerpatroon liet zien. De kleine afwijking wordt vermenigvuldigd tot een steeds grotere onzekerheid. Als dat zo is, dan is volgens het bekende beeld de vleugelslag van een vlinder in Brazilië al voldoende om een wervelstorm in Texas te veroorzaken.
Meer fundamentele problemen kwamen met de opkomst van de niet-klassieke natuurkunde, de quantummechanica, die zich bezighoudt met sub-atomaire deeltjes.
Toeval bestaat echt, zegt de moderne natuurkunde. Radioactieve stoffen hebben in hun atoomkern naar verhouding te veel deeltjes, en die raken ze kwijt in de vorm van straling (of van deeltjes, dat komt op quantumniveau op hetzelfde neer). Hoewel we zeker weten dat na bij voorbeeld een jaar de helft van de atomen in een radioactieve stof zal zijn ‘vervallen’, is het onmogelijk te voorspellen welk atoom op een gegeven moment een deeltje zal wegzenden. De keten van oorzaak en gevolg is hier gestopt: er is geen diepere oorzaak achter het uitzenden van een deeltje.
Nog duidelijker blijkt dit als we waarnemingen in de quantummechanica willen interpreteren. We kunnen hier niet meer met zekerheid zeggen waar een elektron zich op een gegeven moment zal bevinden: we kunnen slechts zeggen dat het waarschijnlijker is dat het zich op de ene dan op de andere plaats bevindt.
Ruimte en tijd, die in de newtoniaanse fysica absoluut vastlagen, kunnen best relatief worden. Ze zijn afhankelijk van de snelheid waarmee de waarnemer beweegt — niet ten opzichte van de ether, maar van hetgeen hij waarneemt. Een trein lijkt langer voor iemand die meerijdt dan voor iemand die niet meebeweegt, en een klok in de trein loopt langzamer. Normaal gesproken zijn de verschillen niet meetbaar, maar zodra we te maken krijgen met snelheden in de buurt van de lichtsnelheid, gaan deze ‘relativistische effecten’ optreden.Waar Einstein níet mee kon leven is de onzekere aard, het relatieve karakter van subatomaire deeltjes, dat door Niels Bohr (1885-1962) en Werner Heisenberg (1901-1976) werd gepropageerd. Als onze instrumenten erop gericht zijn het deeltjeskarakter waar te nemen, zien we een deeltje zodat het golfkarakter zich aan onze waarneming onttrekt, en andersom. We kunnen niet meer zeggen wat licht werkelijk is, alleen nog maar hoe het zich aan ons voordoet in de proefopstelling. De waarneming beïnvloedt onontkoombaar het verschijnsel, en het is zinloos te filosoferen over de vraag hoe het verschijnsel zou zijn als we niet meer kijken. Het lijkt, zo zei Bohr, een beetje op experimenten in de psychologie: we kunnen niet iemand ondervragen zonder hem tegelijk aan het denken te zetten en dus te veranderen.

Er zijn twee soorten beweringen: zinnige en onzinnige. Een zinnige bewering is een bewering waarvan men kan zeggen of hij waar is of niet – ‘de straten zijn nat’, of ‘morgen is het zondag’. Kan men daarentegen van een bewering niet uitmaken of hij waar is of niet, dan is de bewering zinloos, en hebben we te maken met metafysica. Dat gebeurt bijvoorbeeld, als zo’n bewering een zinloze term bevat. Zinnen die gaan over het ‘eeuwig zijnde’ of ‘de levenskracht’ of ‘God’ zijn zinloos, want het is onmogelijk om aan te geven wat het niet uitmaakt of de uitspraak waar is of onwaar. Wie niet gelooft dat de straten nat zijn, kan naar buiten gaan en kijken, wie de zin ‘al het Zijnde streeft naar het Absolute’ niet gelooft, kan dat niet. Daarom is de laatste zin pure metafysica, hij draagt niets bij aan onze kennis van de wereld. Talloze problemen waarmee de filosofie zich eeuwenlang heeft beziggehouden, berusten op dergelijk zinleeg taalgebruik, en het is de taak van de filosofie deze schijnbaar diepzinnige uitspraken te ontmaskeren.In eerste instantie lijkt er geen speld tussen de krijgen, maar toch is hier vanalles mis mee. Om te beginnen kan dit uitgangspunt zelf niet geverifieerd worden, en wordt het daarmee pure metafysica. De meeste wetenschappelijke stellingen — triviale zoals 'Alle raven zijn zwart', maar ook wetten als 'Iedere scheikundige verbinding heeft een constante gewichtssamenstelling' — kunnen niet volledig geverifieerd worden. Daarbij, veel vakken zoals ethica, esthetica, psychologie en sociologie worden na het uitbannen van alle metafysica ook onbruikbaar kaal.
Hun studie-object, het leven, dreigde ‘weggreduceerd’ te worden. Maar fysica en chemie werden met succes ingelijfd in de biologie, en in die opbloei werd het vitalisme naar de achtergrond gedrongen. Althans, de hele vraag naar ‘het wezen van het leven’ werd van de wetenschappelijke agenda afgevoerd. (…) Het vitalisme is een zachte dood gestorven, niet zozeer omdat het weerlegd was — het is even onweerlegbaar als zijn tegendeel — maar omdat het onvruchtbaar was: het is veel interessanter om te veronderstellen dat het leven wel met behulop van chemie en natuurkunde kan worden opgehelderd.Ook de affaire-Fleischmann en Pons legt de typische gevoeligheden van bepaalde actoren in het wetenschappelijke bedrijf bloot. Bij typische kernfusie — het samensmelten van lichte atomen tot zwaardere — zijn extreem hoge temperaturen nodig. Denk aan de zon: in de zon smelten waterstofatomen samen onder invloed van de enorme druk in de kern bij 15 miljoen graden. In 1989 publiceerden de elektrochemici Martin Fleischmann en Stanley Pons echter een wetenschappelijk artikel waarin ze zeiden kernfusie onder veel mildere condities te hebben bereikt. Het ging om een bij-effect van een elektrochemische reactie aan een palladium-elektrode waar waterstof werd gevormd. Waterstof lost op in de palladiumelektrode en de twee wetenschappers meldden dat bij hun opstelling meer energie vrijkwam dan ze er in stopten. Er bleek weinig van te kloppen. Van Maanen:
De hele affaire — die overigens ook in de jaren na de eerste aankondiging nog af en toe opflakkerde — heeft vooral een verrassend diepe kloof duidelijk gemaakt tussen natuurkundigen en scheikundigen. Natuurkundigen waren van meet af aan skeptisch, terwijl scheikundigen algemeen de kant van Fleischmann en Pons kozen. De scheikundigen leken de behoefte te hebben die arrogante natuurkundigen eens een lesje te leren: waar de kernfysici al jaren machteloos werkten aan hete fusie, deden twee chemici het simpel met koude. Waar de kernfysici miljarden verslindden aan enorme apparaten, hadden de chemici genoeg aan een jampotje.Geloof spectaculaire claims niet voordat het artikel is verschenen in een vakblad, adviseert Van Maanen, en dan nog is het afwachten wat de rest van de wereld ervan vindt. Maar dat geldt eigenlijk voor iedere wetenschappelijke publikatie.
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
19:06
4
reactie(s)
rubrieken desiderata, opinio