dinsdag 3 januari 2012

Nieuwe site

Dit weblog is verhuisd naar dit adres.

vrijdag 1 april 2011

Een contract met God - Will Eisner

Het begrip graphic novel werd niet gemunt door Will Eisner, maar kreeg door hem wel ruime bekendheid. Ook Eisner gebruikte de term in negatieve zin, met de bedoeling zich ergens tegen af te zetten. Zijn album Een contract met God (1978), dat aan de bakermat stond van het genre, was geen comic, geen strip, geen makkelijk verhaal met superhelden die tijdens de kantooruren de wereld zuiveren van alle onheil. Bovendien wilde Eisner breken met de rigide plaatindeling van strips.

De peetvaders van de graphic novel, Art Spiegelman, Robert Crumb en Will Eisner richtten zich op volwassenen en alle lezers die niet alleen maar op zoek waren naar een verzetje. In tegenstelling tot de figuren uit het Gouden Tijdperk (jaren veertig, mid-jaren vijftig) en het Zilveren Tijdperk (mid-jaren vijftig, jaren zestig) van de Amerikaanse strip werden nu eens echte mensen getekend, met kleine kantjes en zonder bovennatuurlijke krachten. Werd de karikatuur toch ingezet, dan was dat meestal om de zwartgallige aspecten van het bestaan in de verf te zetten of met bittere ironie te lijf te gaan.

Een contract met God is daar een mooi voorbeeld van. Het album bundelt vier verhalen met eenzelfde setting: Dropsie Avenue, een straat in de Bronx geflankeerd door tenements — de typische appartementsblokken die in de jaren twintig zijn gebouwd om de stroom immigranten na de Eerste Wereldoorlog te huisvesten. Een contract met God speelt nog iets later, in de jaren dertig, wanneer veel joodse koppels ondanks de crisis een eerste generatie kinderen op de wereld hebben gezet. Geldgebrek, gefnuikte dromen en de werking van het noodlot zijn de basisingrediënten van alle verhalen.

Eisner memoreert, kortom, zijn jeugdjaren in dit album. Midden jaren zeventig bedacht hij dat het tienerpubliek waar hij Spirit voor had getekend samen met hem ouder was geworden. Die dertigers wilden allicht iets anders dan de prentjes met superhelden van weleer.

'De huismeester' draait rond ene meneer Scuggs. Als de huurkazerne "een passagiersschip is, verankerd in een zee van beton", dan is hij "de kapitein". Een kapitein die weliswaar in de kelderverdieping leeft. Met zijn kale knikker en Duitse krachttermen lijkt hij zo weggestapt uit de Weimar-republiek zoals George Grosz haar tekende. Hoewel hij als rechterhand van de huisbaas de machtigste man is in het gebouw, blijft hij een eenzaam figuur. Hij heeft enkel een hond en een paar wanden met pin-ups om hem gezelschap te houden. Die ene poging waarbij hij zijn natte dromen toch tracht na te streven, wordt zijn ondergang. Typisch voor de ambiguë Eisner: Scuggs' ogenschijnlijk hulpeloze slachtoffer redt zich uit de benarde situatie met een nietsonziende list.

'De straatzanger' gaat over een drankzuchtige boekhouder die operazanger wil worden en ook best een potje kan zingen. Seks met een verlopen diva-met-connecties verhogen kort de kans op welslagen, maar ook hier worden dromen eigenhandig verkwanseld. De straatzanger kan bovendien niet met geld omgaan en zijn zwangere vrouw zal dat bekopen.

In 'Cookalein' wordt het actieterrein deels verlegd van Dropsie Avenue naar een vakantieoord waar jonge joden samenkomen in de zomermaanden. Hun vakantie blijkt echter vooral te dienen om de buitenechtelijke liefde te bedrijven of om een goede (lees: beter bemiddelde) partij te vinden. De expliciete seksscènes in 'Cookalein' zijn te interpreteren als een welgemeende fuck you ten aanzien van de (overigens dit jaar opgeheven) Comics Code Authority.

Het titelverhaal is het beste, meest ontroerende werkstuk van Eisner. De vrome jood Frimme Hersh denkt het lot te slim af te zijn door met God een contract af te sluiten. Maar het contract deugt kennelijk niet: het door Hersh liefdevol bejegende meisje Rachele sterft — een verhaallijn geënt op wat met Eisners dochter Alice gebeurde; zij stief op haar zestiende aan leukemie.

'Een contract met God' laat interessante vragen open. Wordt Hersh door het noodlot getroffen omdat hij het contract eenzijdig heeft opgesteld? Omdat hij het waagde voorwaarden te stipuleren? Of doodeenvoudig omdat er geen God is? En wanneer hem dat tweede — fatale — ongeluk overkomt, komt dat dan door ongelukkig toeval of door een zich wrekende God?

Het probleem van het lijden is de vraag waarom een almachtige en goede God, zoals voorgesteld door de monotheïstische religies, kwaad en lijden in zijn schepping zou toestaan. Epicurus was de eerste die het probleem filosofisch formuleerde en bestudeerde. De volgende reductio ad absurdum wordt wel de paradox van Epicurus genoemd.

Er bestaat kwaad, dus God is ofwel niet in staat, ofwel niet van zins het op te heffen.
Als God het kwaad niet kán opheffen, is hij niet almachtig.
Als hij het niet wíl opheffen, is hij kwaadaardig.
Als hij het niet kán of niet wíl opheffen, waarom zou je hem God noemen?
Als hij het kán en wíl opheffen, waar komt het kwaad dan vandaan?
Een oplossing voor zo'n probleem wordt een theodicee genoemd. De oplossingen minimaliseren meestal één van de premissen van Epicurus, onder andere door een andere definitie van kwaad, almacht en goedheid te introduceren.
Een andere definitie van lijden: het lijden speelt zich slechts in onze verbeelding af.
Een andere definitie van almacht: God heeft ervoor gekozen om zijn macht te beperken, om zo samen met de mensen het kwaad uit te roeien. Of: God is niet almachtig, maar strijdt samen met de mens tegen het kwaad en hoopt zo uiteindelijk het kwaad te overwinnen.
Een andere definitie van goedheid: Gods goedheid hoeft niet noodzakelijkerwijs overeen te komen met ons begrip van goed. Bovendien kan God slechte dingen uiteindelijk laten uitlopen op goede dingen.
Een andere optie is het probleem van het lijden in een breder perspectief te plaatsen. Dan komen zaken als verantwoordelijkheid en keuzevrijheid van de mens in beeld, in combinatie met de verplichting om met de bekende en verborgen consequenties van keuzes te leven. Veel religies postuleren een eeuwig leven en daarvan afgeleid een volmaakt en eeuwig hiernamaals, in tegenstelling tot het aardse bestaan. Het aardse lijden valt daardoor in het niet, bezien vanuit het perspectief van de volmaakte eeuwigheid. In sommige religies wordt het aardse lijden gerechtvaardigd als een morele voorbereiding op de eeuwigheid.

Tijdens het lezen van Een contract met God probeerde ik te na te gaan wat Eisner nu doet dat hij niet in klassieke stripverhalen kwijt kon. Het is bijvoorbeeld niet zo dat het hele album uitblinkt in originele bladspiegels; Eisner houdt nog stevig vast aan gewone hokjes — drie, vier, vijf of zes op een pagina. De paar grote panelen — geïnspireerd op de houtsnedes in de romanbewerkingen van Lynd Ward — gebruikt hij voor beeltenissen van molenwiekende hoofdpersonen, voor een losse tekening begeleid door een stukje tekst waar Eisner duidelijk tevreden over was, en voor illustraties waarin er iets met het perspectief gebeurt, meestal met betrekking tot de huurkazernes.

Of dit nu plots kunst is, interesseert me niet. Het is prachtig getekend, dat zeker. Gedetailleerde gezichten krijgen soms een kitscherige oogopslag als ze door emoties getekend worden. Dat was leuk. De verhalen vond ik mager. Ik vraag me af waarom iemand die het betere werk van Isaac Bashevis Singer kent naar een Will Eisner zou luisteren.

Noot aan zelf: Eisner schijnt te figureren in die dikke pil van Michael Chabon over de geboortejaren van de Amerikaanse strip, De wonderlijke avonturen van Kavalier & Clay. Reden om dat boek eindelijk eens op te pakken.

Will Eisner, Een contract met God : 4 verhalen uit de Bronx
210 p.

Uitgeverij Atlas, 2004
Oorspr. A contract with God and other tenement stories (1978)
Vertaald door Hedy Stegge, Mat Schifferstein en Stichting Sherpa



Illustatie Will Eisner, uit het titelverhaal 'Een contract met God'

____

donderdag 31 maart 2011

Irvin S. Cobb

"Irvin Shrewsbury Cobb (1876-1944) was an American author, humorist, and columnist who lived in New York and authored more than 60 books and 300 short stories. (...) Cobb is best remembered for his humorous stories of Kentucky local color. These stories were first collected in the book Old Judge Priest (1915), whose title character was based on a prominent West Kentucky judge named William Pitman Bishop. Among his other books of humor are Speaking of Operations (1916) and Red Likker (1929)."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Irvin_S._Cobb

____

Henry Theodore Tuckerman

"Henry Theodore Tuckerman (1813-1871) was an American writer, essayist and critic. Tuckerman was born in Boston, Massachusetts. He was a sympathetic and delicate critic, with a graceful style. He wrote extensively both in prose and verse. He travelled much in Italy, which influenced his choice of subjects in his earlier writings. These include The Italian Sketch-book (1835), Isabel, or Sicily: A Pilgrimage (1839); two volumes of verse, Poems (1851) and A Sheaf of Verse (1864); Thoughts on the Poets (1864), The Book of the Artists (1867), Leaves from the Diary of a Dreamer, etc. He was prominent in the literary life of New York City after 1845."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Henry_Theodore_Tuckerman

____

Catherine Pozzi

"Catherine Pozzi (1882-1934) was a French poet and woman of letters. Catherine Pozzi was born in an aristocratic and bourgeois environment at the end of the 19th century, to Samuel Pozzi, surgeon and gynecologist, and Thérèse Loth-Cazalis. (...) At the age of 19, she read the published diary of Marie Bashkirtseff, and it had a profound effect upon her, spurring her to write intensely in her own journal. (...) Around 1910, she began to exhibit symptoms of tuberculosis, from which she suffered until her death."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Catherine_Pozzi

____

Sergei Yesenin

"Sergei Yesenin (1895-1925) was a Russian lyrical poet. (...) Although he was one of Russia's most popular poets and had been given an elaborate funeral by the State, most of his writings were banned by the Kremlin during the reigns of Joseph Stalin and Nikita Khrushchev. Nikolai Bukharin's criticism of Yesenin contributed significantly to the banning. Only in 1966 were most of his works republished. Sergei Yesenin's poems are taught to Russian schoolchildren and many have been set to music, recorded as popular songs. The early death, unsympathetic views by some of the literary elite, adoration by ordinary people, and sensational behavior, all contributed to the enduring and near mythical popular image of the Russian poet."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Sergei_Yesenin

____

August Lafontaine

"August Lafontaine (1758-1831) war ein deutscher Schriftsteller. (...) Zu seiner Zeit war Lafontaine einer der meistgelesenen Schriftsteller Deutschlands, aber später geriet er fast vollständig in Vergessenheit. Zu seinen berühmtesten Lesern gehören Napoleon, Franz Grillparzer, Joseph von Eichendorff und die Königin Luise von Preußen. Lafontaine ist Erfinder und zugleich Koryphäe der spießbürgerlich-moralisch-sentimentalen Richtung, die der Roman, wie das Drama unter Ifflands und Kotzebues Führung, in Deutschland zum Ende des 18. und am Anfang des 19. Jahrhunderts einschlug."

> http://de.wikipedia.org/wiki/August_Lafontaine

____

woensdag 30 maart 2011

Minority report - H.L. Mencken

De grote Amerikaanse journalist, criticus en filoloog H.L. Mencken (1880-1956) dacht vaak na over de mensheid, en meestal in ongunstige zin. Waarom een kat geen kat noemen, zelfs als we er erg aan toe zijn? In Minority report brengt Mencken een grote fruitmand mee voor de zieke patiënt, maar die is alleen maar gevuld met zure appels. "The fact that I have no remedy for all the sorrows of the world is no reason for my accepting yours. It simply supports the strong probability that yours is fake."

Minority report
is geen echt boek maar een notitieboekje, waarschuwt het Woord vooraf. En dat klopt. In 1956, het jaar van zijn dood, las H.L. Mencken zijn aantekenschriftjes door. Wat daar in stond, had altijd al gediend als grondstof voor zijn boeken, essays en pamfletten. Nu wou hij het restafval dat hij nergens had kunnen onderbrengen dumpen in een boek, om zijn hoofd vrij te maken. Zich daarmee voorzichtig plaatsend in de traditie van andere fragmentaristen als Pascal, Rochefoucauld, Amos Bronson Alcott en Henry Ward Beecher.

Minority report — er bestaat geen goed Nederlands woord voor, 'minderheidsstandpunt' is zo frêle — is het werkstuk van een moralist. Menckens notities bevatten morele en intellectuele standpunten. Ze gaan niet over concrete situaties, zelden over mensen en nooit over wat tot de persoonlijke levenssfeer behoort. Wat Mencken kennelijk het meeste bezighield, was de vraag 'hoe te leven?' en de bittere vaststelling dat alle antwoorden op die vraag te laat komen:

As I grow older I am unpleasantly impressed by the fact that giving each human being but one life is a bad scheme. He should have two at the lowest — one for observing and studying the world, and the other for formulating and setting down his conclusions about it. Forced, as he is by the present irrational arrangement, to undertake the second function before he has made any substantial progress with the first, he limps along like an athlete only half trained. His competitors, to be sure, are in the same case, and in consequence his inadequacy tends to be concealed, but it is there none the less, and I sometimes suspect that it may be the main cause of the blowsy vacuity which marks so much of the so-called thinking of mankind. What ails that thinking, two times out of three, is simply its disregard or large categories of essential fact — obvious, but not yet observed. Half in the light and half in the dark, the sage takes refuge in his feelings, which is almost as if a surgeon employed to cut off a leg should do so.
Zeer oneigentijds is Menckens elitaire, anti-democratische grondhouding. Hij is het prototype van de bekwame man die er een hekel aan had door allerlei sociale regelingen gelijkgeschakeld te worden met minder bekwame mensen — "inferior men". Met "inferior men" bedoelt Mencken naar eigen zeggen: mensen die niet weten wat elke volwassene weet, die niet kunnen wat een normaal iemand in een paar weken kan leren, en zij die het kwade bewonderen. Dat zulke mensen rechten krijgen, werkt demoraliserend voor wie zich wel wil inspannen om ergens in te excellereren.
256
Democracy gives the naturally incompetent and envious man the means of working off his dislike of his betters in a lawful and even virtuous manner. Its moral effect is thus inevitably bad. It puts a premium upon one of the basest passions of mankind, and throws its weight against every rational concept of honor, honesty and common decency.
Mencken gelooft niet in de mythe van de nobele gewone man of proletarische held. Offervaardigheid wordt altijd verspild aan de verkeerde goden, idolen en opvattingen. Een paar genieën zijn de motoren van de geschiedenis; de meeste mensen doen niets ter zake en leveren geen bijdrage aan de vooruitgang van de mensheid. Meer vrije tijd voor de gewone man hoeft niet, omdat hij die toch nutteloos zal besteden. De mens hééft geen edele ziel en ook anatomisch gesproken is de mens een potje haastwerk. Mencken gaat die vaststelling te lijf met bittere humor.
247
Man has to lug around a frame packed with defects, from imperfectly centered eyes to weakly arched feet. He has a poorly arranged spine which imposes too much weight on the fifth lumbar vertebra. He has a miserable arrangement of the gall bladder, which, by lying in him upside down and thus inhibiting the flow of bile, predisposes him to gallstones. He has a large bowel that requires muscular effort to force its contents up the ascending colon, and then shove them across the transverse colon to the descending one. He has an aorta which, as it leaves the heart, curves off too abruptly and lacks sufficient musculature to endure easily the volume of blood under pressure. He has poorly coated veins with a tendency to varicosis. He has a sagging exposed abdomen with a tendency to hernia.
Het standpunt heeft ook politieke gevolgen. Mencken is gekant tegen vakbonden en twijfelt openlijk aan algemene stemgerechtigheid: "All the rights and privileges of civilized man, under any democratic system, are similarly wasted upon worthless persons. The man who is barely human is treated as if he were the peer of Aristotle." Hij verwijt de Founding Fathers de vorming van een aristocratie te hebben ontmoedigd. In plaats daarvan hebben we in Amerika nu plutocratie; een bestuursvorm waarin geld ervoor zorgt dat de macht en de wetten door een groep kunnen worden bepaald. Soms laat zich nog weleens een dissidente stem horen, maar veel kan die niet uitrichten.
13
(…) A society made up of individuals who were all capable of original thought would probably be unendurable. The pressure of ideas would simply drive it frantic. The normal human society is very little troubled by them. Whenever a new one appears the average man shows signs of dismay and resentment. The only way he can take in such a new ideas is by translating it crudely into terms of more familiar ideas. That translation is one of the chief functions of politicians, not to mention journalists. They devote themselves largely to debasing the ideas launched by their betters. This debasement is intellectualy reprehensible, but is probably necessary to carry on the business of the world.
Op die manier laveert Minority report mooi tussen de verschillende heilsleren van voor de Tweede Wereldoorlog. Het stelt een derde weg voor, tussen democratie en totalitarisme in. Het communisme richt al zijn hoop op de industrie, het fascisme stelt het staatsbelang boven alles, de New Deal van Roosevelt (Menckens favoriete bête noire) spoort mensen ertoe aan geld op te potten, maar onder de huid van al deze modieuze evangelies houdt het individualisme van de mens stand. Dat doet het al eeuwen, zegt Mencken. Eigenbelang en materialisme zwengelen onze welvaart aan. Daarom moeten we ons hoeden voor idealisten — alle mensen die meer willen, en de boel niet gewoon de boel laten.
305
It is not materialism that is the chief curse of the world, as pastors teach, but idealism. Men get into trouble by taking their visions and hallucinations too seriously. The lowly hind, pausing in the furrow to mop his brow, dreams a dream of high achievement in the adjacent city. Ten years later there is a plow standing idle — and another victim of capitalistic tyranny is laboring as a bus conductor.
Idealisten en mensen met een humanitaire inggesteldheid overschatten altijd het lijden van de mensen waarmee ze sympathiseren. Een arbeider aan het pompstation, die moét wel een saai en betekenisloos leven leiden. Maar neen, zegt Mencken, die man is daar best blij mee en ziet zijn werk niet zelden als een zinvolle bezigheid die hem vervult met de nodige trots. Mencken oppert enkele stellingen die Isaiah Berlin twee jaar later beter zal uitwerken. Om te beginnen zijn een democratische staatsinrichting en vrijheid niet onlosmakelijk met elkaar verbonden.
108
The freedom of nations is of little human value. It is only the liberty of the individual that counts. Imperialistic conquest often actually widens it. This is obviously the case in India. In the days of native rule no citizen had any rights whatsover. Under the English he has a long series of them, and some of them are more or less real and valuable.
Bovendien wíllen de mensen geen vrijheid, maar veiligheid en privileges. Niet in de laatste plaats wordt dat bewezen door de verknochtheid van mensen aan opperwezens en religieuze leidsmannen. God is de laatste wijkplaats voor de incompetente, de hulpeloze, de ellendige en voor alle mensen die er domweg niet bij kunnen dat ze er ooit niet meer zullen zijn. De capaciteit van mensen om in evidente leugens te geloven, grenst aan het oneindige, volgens Mencken. Maar hij wil dat niet zomaar laten passeren. Hij is een New Atheist avant la lettre. Neen, zegt hij, het gaat niet op dat religieuze opvattingen boven alle kritiek verheven mogen zijn.
1
We must respect the other fellow’s religion, but only in the sense and to the extent that we respect his theory that his wife is beautiful and his children smart.
Voor een vrijdenker is Mencken overigens opvallend gefascineerd door religieuze onzin, daar waar een echte ongelovige hond gewoon verveeld de schouders ophaalt. Misschien komt dat omdat hij de hete adem van de aartsbisschop in zijn nek voelde, die net als hij in Baltimore woonde. Enfin, vaak dient religie in zijn notities ook als afstootblok. Tegen religie en andere vormen van metafysica en speculatieve astronomie, tegen idiots, morons en quacks, is er maar een remedie: gezond verstand. Common sense heeft echter niets te maken met de opvattingen van de gewone man in de straat, de common man. Integendeel. Gezond verstand is gebruik maken van alle beschikbare bewijs en niets dan dat. Bewijs dat geruggesteund wordt door zintuiglijke waarneming, die op zijn beurt wordt versterkt en gefinetuned door de wetenschap. Wetenschap verschilt daarin grondig van de filosofie, dat maar al te vaak kamergeleerdheid is zonder veldwerk.
412
Science, at bottom, is really anti-intellectual. It always distrusts pure reason, and demands the production of objective fact. The so-called philophers who still survive in the world (just as fortune-tellers and witch-doctors survive) argue that a scientist cannot carry on his business without some grounding in metaphysical theory, but for this there is no evidence whatsoever; on the contrary, the career of almost any competent scientifico proves that it is false. All the metaphysical equipment he really needs is contained in common sense, and he shares it with carpenters and bricklayers. Whenever he steeps beyond it he gets into difficulties, and very often he comes dramatically to grief. Some of the great glories of science, including many who have adorned the non-physical sciences, have been as innocent of meta-physical theory as so many police lieutenants. The business of a man of science in this world is not to speculate and dogmatise, but to demonstrate. To be sure, he sometimes needs the aid of hypothesis, but hypothesis, at best, is only a pragmatic stop-gap, made use of transiently because all the necessary facts are not yet known. The appearance of a new one in contempt of it destroys it instantly. At its most plausible and useful it simply represents an attempt to push common sense an inch or two over the borders of the known. At its worst, it is only idle speculation, and no more respectable than the soaring of metaphysicians.
Het drama is dat de bevindingen van de wetenschap haast per definitie moeilijk zijn, én moeilijk uit te leggen. Daarom wordt de wetenschap naarmate ze vordert altijd op de voet gevolgd door kwakzalvers en foute uitleggers die hun kronkelige metafysische aannames altijd willen wringen in het ontluisterend materiële wereldbeeld dat de wetenschap hen voorhoudt. En zo blijven we in rondjes draaien. De meeste mensen ontberen sowieso de fantasie om de implicaties van de wetenschap te snappen en hebben een hekel aan de gestrengheid en zuiverheid van wetenschap. Een dedain dat overigens wordt gedeeld door filosofen, die hun werkwijze natuurlijk het ware primaat van betrouwbare kennis achten. Quod non.
430
It is argued that metaphysics is necessary to man, and that common sense cannot meet his needs. This is nonsense. Every man, of course, subscribes to some theory of knowledge, but usually it is very simple: he believes he knows whatever the evidence of his sense tells him. All the acts of daily life are regulated on this basis of common sense. We are born, live and die by it. Metaphysics in the more pretentious sense never really enters into our lives. All governments are run by common sense; wars are made by it; it is at the heart of all trade, as of all science. Only religion and poetry depart from it, and neither is a living reality to most men. To the rest, even although they may be pious, religion is only a form. They accept it without grasping its metaphysical structure, or even suspecting that it has such a structure. They assume almost always that it is grounded, like other ideas, on common sense — as it is, indeed, to a very large extent, for every theological system tries to justify itself on common-sense grounds. That justification may not be its major one, but nevertheless it is an important one.
En zoals wetenschap klaarheid probeert te scheppen over de wereld rondom ons, moet de schrijver klaarheid betrachten in zijn schriftuur. Iets wat Mencken maar na zijn dertigste doorhad.
432
(…) The imbeciles who have printed acres of comment on my books have seldom noticed the chief characte of style. It is that I write with almost scientific precision — that my meaning is never obscure. The ignorant have often complained that my vocabulary is beyond them, but that is simply because my ideas cover a wider range than theirs do. Once they have consulted the dictionary they always know exactly what I intend to say. I am as far as any writer can get from the muffled sonorities of, say, John Dewey.

Portret van H. L. Mencken (1932) door Carl Van Vechten; afbeelding via Wikimedia Commons

Alleen: die formuleerkunst helpt Mencken niet meer na tweehonderd bladzijden. Dan is hij zo vaak in herhaling gevallen dat je naar het einde van zijn boek snakt. Waarmee ook meteen de vraag is beantwoord in hoeverre deze notities een handig opstapje betekenen naar de hoofdwerken van de auteur. Het antwoord luidt: ja en neen. Minority report geeft zeker een goed beeld van Menckens obsessies, maar de lezer moet zich ook een weg door gedateerde stukken banen. Kennis van vooroorlogse Amerikaanse fenomenen zoals de Prohibitionisten, John Dillinger en Glenn L. Martin, of de spanning tussen Noord en Zuid, is daarbij een plus. Het boek is trouwens gedrukt op zwaar papier en ligt niet prettig in de hand.

Moet er ook nog iets gezegd worden over de ontoelaatbaar wrede kanten van Minority report. Mencken was nogal beïnvloed door de negentiende-eeuwse Duitse cultuur, in het bijzonder Nietzsche. Vrijheid? Akkoord, zegt Mencken, maar vrijheid betekent ook de mogelijkheid om te laten zien dat je beter bent, of iets beter kan, dan andere mensen. Die geldingsdrang ziet hij als een basisbehoefte van de mens. Reden ook waarom oorlog zich niet zo makkelijk laat uitroeien en voor velen een vreemde bekoring in zich heeft. Denk maar aan de veteranen die hun verleden met waardigheid dragen en gedeprimeerd raken wanneer ze na het slagveld weer deel moeten uitmaken van de burgerlijke routine van elke dag.

Mencken hing een soort sociaal-Darwinisme aan dat voor de hedendaagse lezer moeilijk te verteren is. Hij gelooft niet in misdaad als produkt van de omstandigheden; misdaad zit volgens hem goeddeels in iemands bloed; daarom moeten criminelen gewoon gesteriliseerd worden, om hun kinderen er niet mee te besmetten en de maatschappij niet verder tot last te zijn. Voorts staan er in Minority report nogal wat uitspraken die getuigen van rassendiscriminatie en vrouwenhaat.

Wat te denken van aantekening 103?
The female moron, in her capacity as parasite, is frequently able to conceal her low intelligence, for the world is very apt to judge women by their clothes.
Of van nr. 377?
If all the farmers in the Dust Bowl were shot tomorrow, and all the share-croppers in the South burned at the stake, every decent American would be better off, and not a soul would miss a meal.
Wat dat betreft ziet Boeklog Mencken als een provocateur van het type Theo van Gogh. Misschien. Maar zonder nauwkeurige biografische details te kennen, vermoed ik dat Mencken ook een kind was van zijn tijd. Vergeet niet dat Amerika de natie met de op één na grootste eugenetische beweging was. Vanaf 1896, lees ik op Wikipedia, werden in veel staten wetten bekrachtigd waarin het epileptische en zwakzinnige mensen verboden werd te trouwen. In 1924 werd de Immigration Restriction Act aangenomen, waarbij eugenetici voor het eerst een rol speelden bij debatten in het Congres als expert-adviseurs over de dreiging van de komst van volkeren uit Oost- en Zuid-Europa.
Deze wet beperkte het aantal immigranten aanzienlijk en versterkte bestaande wetgeving die rassenvermenging verbood. Eugenetische beschouwingen vormden ook de grondslag bij de aanname van incestwetten in grote delen van de VS, en werden gebruikt om apartheidswetten te rechtvaardigen. Tussen 1907 en 1963 werden in de VS onder eugenetische wetgeving meer dan 64 000 mensen gedwongen gesteriliseerd. Een positief rapport over de resultaten van de sterilisaties in Californië (waar verreweg de meeste sterilisaties werden uitgevoerd), werd door nazi-Duitsland aangegrepen als bewijs dat een uitgebreid sterilisatieprogramma uitvoerbaar is en humaan zou zijn. Toen nazi-beleidsmakers na de Tweede Wereldoorlog in Neurenberg terechtstonden voor oorlogsmisdaden, rechtvaardigden ze hun grootschalige sterilisaties (meer dan 450 000 mensen in minder dan tien jaar) door de VS aan te wijzen als hun inspiratiebron.
Soit. De vraag die me voorlopig het meeste bezighoudt, is hoe Mencken zijn misantropie rijmde met zijn journalistieke werk, dat hem per definitie dwong mensen op te zoeken.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

H.L. Mencken, Minority report : H.L. Mencken's notebooks
293 p.
Uitgeverij The Johns Hopkins University Press, 2006

Oorspr. (1956)



Typisch voor Minority report is dat de kerngedachte van een aantekening al zit vervat in de eerste zin. Daarom hieronder nog een kleine bloemlezing eerste zinnen, in de hoop dat ze aanzetten om het hele boek erbij te nemen. Nummers verwijzen naar de aantekeningen, niet naar de bladzijden van het boek.

The art of writing, like the art of love, runs all the way from a kind of routine hard to distinguish from piling bricks to a kind of frenzy closely related to delirium tremens: 24

All poetry is simply an escape from reality: 28

Very little of the extraordinary progress of medicine during the past century is to be credited to the family doctor, though he is still the official hero of the craft: 41

One of the strangest delusions of the Western mind is to the effect that a philosophy of profound wisdom is on tap in the East: 48

One of the cavernous holes in Christianity is to be found in the fact that the Creator it professes to serve and glorify is only too obviously a great deal less intelligent, not to say a great deal less decent, than the more honest and enlightened varieties of man: 49

The existence of most human beings is of absolutely no significance to history or to human progress: 50

The advance of science is accompanied by a corresponding advance in quackery. The sciences are far too difficult to be grasped, even in principle, by the overwhelming majority of human beings: 53

It seems to be difficult if not impossible for human beings to avoid thinking of government as a mystical entity with a nature and a history all its own: 68

It is contended that disputes between nations should be settled in the same manner, and that the adoption of the reform would greatly promote the happiness of the world. Unluckily, there are three flaws in the argument: 76

Progress is a battle that enlists relatively few men, and on the whole they are unpopular and even disreputable: 82

There is no possibility whatsoever of reconciling science and theology, at least in Christendom: 118

Of all human qualities, the one I admire most is competence. A tailor who is really able to cut and fit a coat seems to me to be an admirable man, and by the same token a university professor who knows little or nothing of the thing he presumes to teach seems to me to be a fraud and rascal: 168

Of all the classes of men, I dislike most those who make their livings by talking — actors, clergymen, politicians, pedagogues, and so on. All of them participate in the shallow pretenses of the actor who is their archetype. It is almost impossible to imagine a talker who sticks to the facts: 174

Next to the ant and the bee man seems to be the most social of animals. Certainly no other mammal approaches him here: 196

Government, like any other organism, refuses to acquiesce in its own extinction: 143

The main thing that every political campaign in the United States demonstrates is that the politicians of all parties, despite their superficial enmities, are really members of one great brotherhood: 204

Man shares his indomitability with all the other creatures, but his capacity for hope is said to be his alone: 278

People crave certainties in this world, and are hostile to ifs and buts: 288

The country high-schools of the United States no longer make any pretense to rational teaching: 340

It is probably not possible to be quite content, save in early youth: 367

Christianity, for all its wounds, is not likely to die; even its forms will not die; the forms, indeed, will preserve what remains of the substance. Of all religions ever devised by man, it is the one that offers the most for the least money to the average man of our time: 395

It is hard to read the history of the religious wars that once raged in Europe without getting a feeling that one is moving in a world of psychopaths: 403

The essential dilemma of education is to be found in the fact that the sort of man (or woman) who knows a given subject sufficiently well to teach it is usually unwilling to do so: 272

The effects of mere luck upon human destiny are always greatly underestimated: 411

Art forms have their infancy, their heyday and their decline: 419

____

dinsdag 29 maart 2011

Superheld - Alex Agnew

Uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts maakt al jaren goede sier met sympathieke autobiografieën van Bekende Vlamingen. Neem een kijkje in de Standaard-boekhandel: Ik ben God niet van Frank Vandenbroucke, Met hart en soul van Natalia of Overleven van Jean-Marie Pfaff. Opvallend is dat ook dertigers complexloos met hun levensverhaal op de proppen komen. Superheld van Alex Agnew — mooi uitgegeven door Linkeroever — past in dat rijtje. En toch ook weer niet.

Typisch voor het soort boeken waar ik op doel, is dat er nauwelijks iets in staat dat de geïnteresseerde leek nog niet weet. Integendeel, zo'n autobiografie laat nog eens alle bekende hoogtepunten en dieptepunten uit het leven van de revue passeren, ingebed in de vaak afgezaagde herinneringen van de auteur. Alsof de lezer in een vertrouwd familiealbum bladert, of luistert naar een sterk verhaal op café. Vaak bevatten de boeken ook echt een nostalgisch fotokatern. Ze zijn dan ook vooral handig voor wie al fan was: het boek kan in de kast, de eigen knipselmap in de prullenmand.

In weerwil van hun naam zijn de meeste van die autobiografieën trouwens niet zelf geschreven. Het verhaal van de BV wordt 'opgetekend', zoals dat zo mooi heet, door een journalist of ghostwriter. Daarom zijn ze ook altijd te dik: het zijn bijna letterlijke transcripties van cassettebandjes.

Omdat ze niet zelf geschreven worden, zijn het eigenlijk verkapte biografieën. En met die wetenschap wordt het mogelijk een paar andere gebreken van het genre op te sporen. In het aardige boekje De zeven hoofdzonden van de biografie maakt Hans Renders, directeur van het Biografie Instituut, een onderscheid tussen twee types biografieën, de low en de high biography. De termen 'low' en 'high' slaan niet op het onderwerp (populaire en hoge cultuur) maar op de werkwijze van de biograaf. In het Nederlands spreek men van een commeroratieve biografie en een kritisch interpreterende biografie. De autobiografietjes die ik in de inleiding aanhaalde blijken nogal wat gemeen te hebben met de commeratieve biografie.

De commemoratieve biografie verschijnt meestal naar aanleiding van herdenkingen en jubilea. Mannen en vrouwen (dood of levend) die zich in het openbare leven opvallend hebben gemanifesteerd, worden bedacht met een biografie die hun reputatie luister bijzet. De kritisch interpreterende biografie daarentegen baseert zich op uiteenlopend bronnenonderzoek, zowel persoonsgebonden (brieven, dagboeken, gesprekken...) als meer indirecte bronnen (kranten, getuigenissen...).

Het is niet zo dat een kritische biografie alleen maar feiten presenteert, en dat zo'n biograaf zijn fantasie achterwege laat. Dat is onmogelijk: voorstellingsvermogen is altíjd nodig om tot een synthese te komen. Wie zijn bronnen het verhaal laat structureren, ontbeert een overkoepelende visie die het materiaal bindt. Wél gaat de kritische biograaf uit van een paar duidelijk omlijnde onderzoeksvragen die hij in de loop van de tekst probeert te beantwoorden, waar een commeratief biograaf alle informatie verzamelt die hij te pakken kan krijgen om daarmee een feestelijke tekst te componeren.

Hét grote verschil tussen een kritische en commemoratieve biografie is echter dat in de commemoratieve biografie de gebiografeerde eerder in zijn uniciteit bevestigd wordt. De verzetsheld wordt meer verzetsheld, de voetballer wordt nog meer bijzonder dan we al dachten. In een kritische biografie worden figuren meer als typisch voor een bepaalde tijd, omgeving of bevolkingsgroep geïnterpreteerd. Bij een autobiografie schrijft een auteur vooral vanuit zijn eigen herinneringen. Zelfoverschatting en zelffelicitatie liggen daarbij altijd op de loer (de autobio van Paul Jambers telt 717 bladzijden). Maar een mens is grotendeels het product van de tijd, de tijdsgeest, de opvattingen van zijn milieu en de mensen die hem omringen. Wie dat over het hoofd ziet, bedondert de kluit en vertelt slechts de helft van het verhaal.

Wat vind jij, Geert?
Om alle misverstanden voor te zijn: Superheld werd overduidelijk door Alex Agnew zelf geschreven. In de — matig gestileerde — broodtekst vertelt hij waar hij vandaan komt, schetst hij zijn gezinssituatie, de klim naar de top, de tol van zijn eigengereide aanpak. Zoals ik al voorspelde: enige zelfgenoegzaamheid ("Ook in mij zit er zo’n ongelooflijk diep gewortelde fuck you naar eender welke vorm van autoriteit") is hem daarbij niet vreemd, en wie verder wil kijken dan Agnew en iets wil opsteken over het functioneren van het Vlaamse comedywereldje en de belangrijke spelers achter de schermen, komt bedrogen uit. Ook over de zakelijke kant geen woord.

Maar er is meer. De doorlopende tekst wordt doorsneden met samples uit de drie zaalshows van Agnew. Het zijn echter fragmenten die dood op de pagina blijven liggen: ze hebben de energieke performance, de stem en de stemmetjes van de komiek nodig om tot leven te komen; daar steekt het cursiveren van woorden wel heel bleek bij af. Een van Agnews grote helden, George Carlin, pakte het beter aan en bedreef in zijn boeken een zeer talige humor. Als ik moest lachen met iets uit Superheld, dan was dat omdat ik het origineel kende met de juiste timing en intonatie.

Wat heben godsdiensten ook altijd met hoofdbedekking?
Chassidim dragen van die zotte potsen, katholieke priesters dragen een trapezium op hun hoofd… Alsof een mens altijd iets op zijn hoofd moet zetten.
“Het is godsdienst? Tijd voor een zotte hoed!”
Toch heb ik dit boek graag gelezen. Als fan. In zijn rayon van de podiumkunsten — microfoon in de knuist en loos gaan — vind ik Alex Agnew simpelweg de top in Vlaanderen. Ik denk met weemoed terug aan de biertent waar ik 'm in 2002 voor het eerst zag optreden. Een revelatie. Tranen in de ogen van het lachen. Want eindelijk zag ik een komiek aan het werk die het ook eens over mijn leefwereld en mijn jeugd had, over de films en popcultuur die ík kende. Agnew was ook meesterlijk met geluiden — een onderdeel van zijn act waar hij zich naar mijn smaak te veel voor excuseert.

In Superheld vertelt Agnew min of meer hoe zijn carrière van de grond is gekomen. Hij heeft het over zijn ouders, een Limburgse moeder en een Engelse vader. Agnews vader was ook een stand-upcomedy fan. Samen keken ze naar Morcambe & Wise, Jasper Carrott, Ben Elton. Maar het is vooral Dave Allen die invloed op de jonge Alex heeft. John Terrence Agnew kwam uit het Britse stadje Eaglescliffe, kortbij Middlesbrough in het noordoosten van Engeland. Hij moest een carrière als profvoetballer stopzetten, werd technisch tekenaar en nog later burgerlijk ingenieur.

Met zijn interesse voor comics en martial arts valt Alex als puber een beetje buiten de groep. Pas langzaam komt het besef wat hij precies wil gaan doen, en het duurt nog langer voor hij daarmee naar buiten komt. Hij vreest dat "hij het niet aan zal kunnen te onderkennen dat hij alleen in zijn hoofd getalenteerd is". Tal van opleidingen worden aangevat, geen enkele afgemaakt: Germaanse filologie, communicatiemanagement, lerarenopleiding, vertaler-tolk. Agnew probeert het aan de Studio Herman Teirlinck, heeft het beste toonmoment van de week, maar wordt toch niet toegelaten. De jury heeft correct gezien dat hij geen acteur is maar een comedian.

Zoals alle huidige toppers begint Agnew in de kroeg. Bonjour Micro was een cafécircuit gesponsord door een biermerk, waar jonge stand-uppers kort uithaalden naar het publiek en daarvoor weinig meer dan een onkostenvergoeding en een applaus toucheerden. Bekend wordt Agnew pas wanneer hij in februari 2003 als eerste Belg het Leids Cabaret Festival wint (Jury- en Publieksprijs). Na lang te hebben getoerd in de typische line-ups van een comedycollectief gaat hij in 2006 zijn eerste avondvullende soloshow in première, KA-BOOM. In 2007 wordt de show uitgezonden op Canvas.

Tussendoor maakt Agnew sinds 2005 geregeld zijn opwachting in Comedy Casino, het programma dat Patrick De Witte (pdw) maakte op aanvraag van toenmalig Canvas-netmanager Bart De Poot. Comedy Casino loopt nog steeds en vestigde comedy definitief als een populaire vorm van entertainment.

Alex Agnew ligt zonder twijfel mee aan de basis van de huidige comedy-hausse, zeker het genre in zijn meest zuivere vorm: zonder muziek, zonder props. Dat was immers nieuw voor Vlaanderen, kort na de millenniumwende. Inspiratie haalde Agnew vooral uit de Angelsaksische "observatiekomieken" die hij kende, niet uit de Vlaamse moppentappers.

Observatiekomieken? De term is van Agnew: "Allemaal leggen ze de nadruk op de doodgewone dingen des levens, maar allemaal zeggen ze wat andere mensen al duizend keer gedacht hebben. Gedachten die we doorgaans voor onszelf houden, omdat ze te debiel zijn om luidop te zeggen. Maar als iemand dat dan toch doet, wordt het hilarisch." Hij geeft als voorbeeld een soundbite van Jerry Seinfeld: "I like hotels, I enjoy the tiny soaps. I pretend that it’s normal soap and my muscles are huge!" Combineer dat met de grofgebekte, recht voor de raapse aanpak van iemand als Doug Stanhope, en je hebt de antecedenten van Agnew op een rij.
Er zijn vandaag wel heel wat mensen die willen claimen dat ze grondleggers waren van de stand-upcomedy in Vlaanderen, maar dat klopt niet helemaal. Luk Wyns en Jacques Vermeire brachten onemanshows, maar dat is nog altijd een ander beestje. Zij brachten sketches die van de eerste tot de laatste letter uitgeschreven waren. Ook Urbanus wordt genoemd als grondlegger van de comedy in Vlaanderen, wat vreemd is aangezien hij dat ook zelf ontkent. Urbanus was een folkzanger wiens bindteksten grappiger bleken dan zijn songs. Maar hij keek niet op naar Dave Allen of Lenny Bruce, zijn helden waren protestzangers als Bob Dylan. Wouter Deprez en Wim Helsen maakten dan weer eerder komische theatermonologen dan stand-upcomedy.
Als zielsverwanten van die eerste lichting noemt Agnew mensen als Nigel Williams en Thomas Smith. Raf Coppens en Bert Kruismans vond hij "te Vlaams". Hij wou het anders aanpakken (geen cabaret, geen piano op het podium) en zou beslist andere onderwerpen aansnijden (géén koers, voetbal, Verhofstadt, paus of prins Filip). Wanneer Agnew zichzelf typeert in Superheld, legt hij meteen goed bloot wat ook mij zo verveelt aan veel andere grappenmakers hier te lande.
Ik wilde het hebben over mijn eigen wereld, de wereld van Star Wars en Transformers. Partijpolitiek of het koningshuis interesseerden mij voor geen meter, nog steeds niet trouwens. En ik zou wat gedurfdere onderwerpen kiezen, dingen die me echt bezighielden, zoals de menselijke gedachten achter een bepaalde ideologie. Ten slotte zou ik me ook door mijn manier van spelen, door dat snelle en agressieve en Amerikaanse, van hen onderscheiden. En het heeft geloond om mijn eigen koers te varen.
Comedy vertrekt bij Agnew vanuit hemzelf, schrijft hij. Vanuit zijn interesses, zijn omgeving, zijn bezigheden en vanuit zijn persoonlijkheid. Wie naar zijn shows komt kijken, weet wie hij is en hoe hij over de wereld denkt. Of heeft daar toch een vermoeden van. Andere komieken zijn daar anders in. Agnew fileert perfect de middenstandersmentaliteit van zo'n Geert Hoste:
Geert Hoste vertrekt altijd vanuit de actualiteit, hij gebruikt artikels uit de krant en BV-nieuwtjes om daar een show rond te bouwen. Maar na twintig jaar Geert Hoste weet ik alleen welke krant hij leest. Ik heb er geen idee van wie hij is of hoe hij bijvoorbeeld écht over het koningshuis denkt. Van waaruit vertrekt zijn frustratie over de politiek of de maatschappij? Waarom maakt het hem iets uit wat Verhofstadt doet? Waarom is Brussel-Halle-Vilvoorde voor hem een punt? Waarom is Ignace Crombé voor hem een frustratie? Er schijnt geen persoonlijk, geen visie door. Ik zie geen mens, ik zie iemand die de gazet heeft gelezen en daar mopjes over heeft verzonnen. Iedereen heeft daar toch zijn eigen idee over? Ik vind dat koningen komen van een nobele, adellijke lijn van moordenaars en plunderaars en veroveraars en sadistische, smerige machtswellustelingen die door eeuwen inteelt zijn geworden tot die zielige bende debielen die ze nu zijn. Wat vind jij, Geert?
Klappen
Toen de eerste generatie stand-upcomedians in Vlaanderen begon, schrijft Agnew, stonden die mensen vooral vanuit een overtuiging op podium, "want geld of roem vielen er niet mee te halen in die tijd". Dat is nu wel even anders, leert ons een recent artikel in De Standaard. Althans voor de toppers. Mensen als Geubels, Helsen en Agnew kunnen voor hun theatertournee een minimumgarantie van tweeduizend euro of meer vragen. Hun dvd-verkoop loopt vlotjes in de duizendtallen; wanneer het schijfje bij Humo wordt gestoken in de tienduizendtallen. Larger than live, de laatste show van Agnew, was tijdens vijf grotendeels uitverkochte zalen in het Sportpaleis van Antwerpen goed voor meer dan zestigduizend verkochte tickets. Verder zijn cabaretiers zeer gegeerd als humoristische dressing op hedendaagse tv-formats. Een avondje Mag ik u kussen? op Canvas levert voor een comedian duizend euro of meer op, als hij tenminste zijn eigen grappen meebrengt.

De ideeën van Alex Agnew over het vak waren voor mij de boeiendste bladzijden van Superheld. Zeker ook omdat hij scheutig is met het opnoemen van collega's en invloeden. Zoals daar zijn: Lenny Bruce, Mort Sahl, Jackie Mason, Michael McIntyre, Eddie Izzard, Richard Pryor, Eddy Murphy, Brian Regan, Patton Oswalt, Billy Connelly, Robin Williams, Jim Carrey, Chris Rock, Bill Hicks en Joe Rogan. Bij de vrouwen: Dawn French, Jennifer Saunders, Joanna Lumley, Sara Silverman, Fran Dresher en Phyllis Diller. Ik kende zeker niet iedereen en las dit boek met YouTube binnen handbereik. Een aantal van hen snijden heel diep in eigen vlees en zal je daarom nooit zien verschijnen op Letterman of in de Tonight Show van Jay Leno.

De rest van het boek ging me iets te veel op aan de demonen waar Agnew mee kampt. De komiek verliest dan even de desinfecterende werking van humor uit het oog en gaat zitten doordrammen. Al zal het wel kloppen dat Agnew met zijn franke stijl de weg heeft gebaand voor andere comedians. Híj ving de eerste klappen op.

Agnew verdedigt zich tegenover alle minderheidsgroepen (zoals de joden) die elk woord uit zijn shows op een goudschaaltje wegen en probeert uit te leggen dat nuance niet wérkt op een podium. Hij gaat tekeer tegen de "linkse fascisten" die zijn visie niet lusten en hem gebrek aan engagement verwijten. Hij zet de puntjes op de i in verband met een oude plagiaatkwestie (Richard Van Bilzen van De Zwarte Kat beschuldigde Agnew ervan materiaal te hebben gepikt van de Schotse comedian Geoff Boyze). En hij laakt alle vormen van kuddementaliteit en hokjesdenken — niet in het minst bij de politiek correcte goegemeente. Ook als leadzanger van de doodgezwegen rockband Diablo Blvd, de Vlaamse Danzig zeg maar, heeft Agnew ermee te maken.
Pas als je er een viool bijhaalt, ben je goed. Als je een cover van Jacques Brel brengt, ben je de beste. Al die zogezegd diepzinnige navelstaarderij lappen wij gewoon aan onze laars. Fuck it! Wij willen ons amuseren. Als ik een gegarandeerd succes wil in onze contreien, dan bel ik wel even naar Mauro Pawlowski, Tim Vanhamel of die verlopen fooraap Arno, gedragen we ons wat verward en verwaand en we zijn binnen. Alles wat we doen, wordt dan automatisch kunst.
Wat me tot slot trof in het boek, is een opmerking die Agnew al vroeg maakt. Elke dag leest hij drie kranten, zegt hij, "een populaire krant, een regionale krant en een krant voor de meerwaardezoeker". Het drukt me nog maar eens met de neus op het feit hoe belangrijk kranten zijn. Niet als overbrenger van gedegen informatie, maar als voederbak voor alle andere media die op dagelijkse basis moeten zien te overleven — rivaliserende kranten, de journaals, de DWDD’s van deze wereld. Agnew verklaart onbewust waarom stand-up comedians goed scoren in programma's als De slimste mens ter wereld. Niet omdat ze zo slim zijn, maar omdat tv-redacties ook weer diezelfde kranten afgrazen op namen, feiten en feitjes. Nooit op samenhangende verhalen of het grotere kader.

Ik heb daar eigenlijk weinig mee. Ik ben van huis uit geen krantenlezer en ben dat nog steeds niet. Mijn eenheid van informatie is altijd het boek geweest. Ik luister naar de radio om over de waan van de dag te kunnen meepraten. Als ik echt iets wil weten, lees ik een boek, een essay of een lang artikel. Ik besef dat niet iedereen dat kan, of wil, voortdurend hele boeken lezen. Daarom vind ik het raar dat er zo weinig goede boeken bewerkt worden voor krant of tijdschrift.

Wie zich wil informeren door specialisten heeft maar enkele mogelijkheden. Het hele boek, het interview met 'de mens achter de schrijver', de vlot weglezende recensie waarin de bespreker de inhoud van het boek laat overwoekeren door zijn eigen mening, én het signalement ter grootte van een contactadvertentie. Op dit weblog, met mijn samenvattingen en syntheses, probeer ik daar op mijn manier iets aan te doen. Ik weet niet of dat een beetje overkomt.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> Alex Agnew op YouTube

Alex Agnew, Superheld
142 p.
Uitgeverij Linkeroever, 2010
____

maandag 28 maart 2011

Een lichtgevoelige jongen - Walter van den Broeck

Walter van den Broeck wordt zeventig vandaag. Dit weekend werd de jarige al op geheel eigen wijze gefêteerd door Herman Brusselmans. "Brusselmans heeft van de hyperbool zo'n versleten stijlfiguur gemaakt dat hij volledig ongeloofwaardig is geworden," sputterde een van de vaste reaguurders tegen. Misschien. Maar het stuk was ook een van de zeldzame keren dat Brusselmans een collega looft, Reve en Salinger niet te na gesproken. Alleen daarom krijgt de tekst gewicht voor mij.

Het artikel deed me in mijn digitale rommelkast kijken wat ik zelf van Walter van den Broeck heb gelezen — die overigens een van de grote afwezigen is in Literatuur etcetera van Pieter Steinz. Het was beschamend weinig. Een paar boeken, geen enkel hoofdwerk. Ik heb WvdB meteen genoteerd op mijn lijst goede voornemens voor volgend jaar. Vlaamse literatuur: als ik er geen huiswerk van maak, komt er niets van in huis.

Het is ook alweer tien jaar geleden dat ik Een lichtgevoelige jongen las. Ik weet nog dat ik dat boek aantrof in een taxfree boekenwinkel in Zaventem. Ik schrok me een ongeluk bij het zien van die titel. Ik was een jaar of twintig en ik dacht toen nog dat ik de wereld moest verblijden met een eigen roman. Iets over een fotograaf die zo gevoelig is voor licht dat zijn stemming eronder lijdt. En dan die titel. Had Van den Broeck dat thema al ingepikt? (Neen. Maar kort daarna ontdekte ik dat de Poolse schrijver Andrzej Stasiuk in Dukla mooier over de uitwerking van licht had geschreven dan ik ooit zou kunnen. Exit romanambities.)

Een lichtgevoelige jongen gaat over een klein ventje dat met zijn "kodak" zaken op de gevoelige plaat vastlegt die het daglicht niet mogen zien. Het rolletje moet dus onklaar gemaakt. Mensen die Van den Broecks oeuvre beter kennen dan ik, weten dat deze twaalfjarige Stijn ook in de Olense Koperstraat woont, net als de hoofdpersoon van Brief aan Boudewijn. Het verhaal is allicht vooral aardig voor wie net die grote werken niet kent. Nu kon ik zonder ballast genieten van het tijdsbeeld dat Van den Broeck neerzet. De Vlaamse jaren vijftig, diep in de provincie.

De Koreaanse oorlog is volop aan de gang en in de VS worden de atoomspionnen Ethel en Julius Rosenberg geëxecuteerd. Maar in een gat als Olen, de geboorteplaats van de schrijver en de held van het boek, kabbelt de tijd rustig voort, hoewel de Derde Wereldoorlog soms akelig dichtbij lijkt. Boven de tafel hangt een koperen petroleumlamp met daaraan een lijmlint dat zwart ziet van de vliegen. Een ingelijste foto van Harry Truman hangt onder opa’s pijpenrek (‘Hij had MacArthur zijn goesting moeten laten doen en hem de Chinees een paar atoombommen op zijn kloten laten gooien'). Tandverzorging is nog niet geheel ingeburgerd zodat iemands gebit eruit ziet "als het kruiswoordraadsel in de Volksgazet".

Ter ontspanning lezen de mensen de avondliedekens van Alice Nahon. Voor de jonge garde is de buurtcinema een belangrijk instituut om contact te houden met de dromen van de rest van de wereld. Soms brengt nonkel Kamiel straffe verhalen mee uit de Congo, over een missionaris die wordt opgegeten "door miljarden mieren." 's Zondags gaat men ter kerke, in een kerk met een groot roosvenster en een ruime deur met ijzerbeslag. Want de Vlamingen zijn nog zeer katholiek, meneer. Voor de vorm toch. Dronkenschap, vechtpartijen, wildneuken en ongewenste zwangerschappen zijn ondertussen niet van de lucht.

Akkoord, op een kruis genageld worden, hevige dorst lijden en niets te drinken krijgen, wat azijn uit een spons daargelaten, en dan op het einde nog een steek in uw zij met een pas geslepen speer moeten verduren, het was allemaal niet niets, maar geroosterd worden op een klein vuurtje zoals Sint-Laurentius, dat was toch straffere tabak vond ik. En geestig was hij ook, Sint-Laurentius. Geef mij uw rijkdommen, had die valse Romein tegen hem gezegd. Met een brede armzwaai had Sint-Laurentius toen naar zijn doodarme gelovigen gewezen. Hun armoe is mijn rijkdom, had hij geantwoord. Die Romein had daar niet mee kunnen lachen en smeet hem op een rooster. Sint-Laurentius zijn specialiteit was sindsdien brandwonden en brandgevaar in het algemeen. Hij stond daar waarschijnlijk speciaal voor ‘t werkvolk aan de hoogoven en in de gieterij. Met hem had ik een geheim verbond omwillen van die rooster en die mop.
Het boek beschrijft de gebeurtenissen van één dag, 22 juni 1953, in het dorpje Olen, waar de schrijver een denkbeeldige buitenwijk heeft aan toegevoegd. Dit Klein Korea, bevolkt door een handvol landbouwgezinnen (door de mensen van de Cité 'boerenkloten' genoemd), dankt zij naam aan drie bewoners die als vrijwilligers naar de Korea-oorlog zijn vertrokken. Ook Stijn kijkt met enig dedain naar de overkant, 'Overdevaart'.
Ze hadden niets, die van Overdevaart. Net zomin als die van Achterdekerk. Wie, Lowie, Wettewa, Tetten en ik, hadden Toudfabriek, Tnieffabriek en de hele Cité.
Het is vlak voor de zomervakantie. De kinderen hebben een middag vrij van school omdat er over de nieuwe spelling moet worden vergaderd. Ze trekken trekken de weilanden in, de Cité uit naar het gebied dat Overdevaart heet — in de nog jonge wereld van Stijn worden karakteristieken omgesmeed tot robuuste substantiveringen. Felix, een van de vriendjes van Stijn, vertelt dat er zich bij hun boerderij infanteriesoldaten hebben ingegraven om een verwachte eenheid para's te verschalken. Niet ver van Olen ligt een militaire basis, die mee zal doen aan een legeroefening onder de codenaam Newborn ("Njoeborn"). De oefening zou bedoeld zijn om de soldaten gevechtsklaar te maken. Die zouden immers over een paar weken naar Korea vliegen om daar tegen de communisten te gaan vechten.

Stijn gaat mee naar Overdevaart, maar hoopt er eigenlijk alleen Martha te ontmoeten, het twee jaar oudere zusje van Felix dat de dag voordien in cinema De Vrede zijn hand heeft vastgenomen en wier droombeeld hem de afgelopen nacht tot zijn eerste zaadlozing heeft geïnspireerd.
O, Martha, raak mij aan en leer het mij, want ik versta niets van de wereld, ik wil er zo gauw mogelijk uit verdwijnen. Ik wil opstijgen, samen met u als het kan, naar het sprookjesachtige binnenste van de wolken die daar boven Geel steeds hoger lijken te worden en weer naar ons toe lijken te drijven. Naar de diepblauwe rivieren met de hagelwitte zeilboten, naar de gouden steden met de slanke minaretten, naar de groene oases met de schaduwrijke palmbomen.
Het wordt een dag vol inwijdingen. Voor de eerste keer waagt Stijn zich buiten de kom van het dorp, voor het eerst drinkt en steekt hij een sigaret op, en op een gegeven moment zit er zelfs seks, echte seks, aan te komen. Het is helemaal conform het karakter van Overdevaart, dat bevolkt wordt door boersere, ongeremdere types dan in de Cité en in de ogen van Stijn langzaam iets aantrekkelijks krijgt. De lessen die hij op school heeft geleerd zijn hier opeens niet meer van tel. Hier gelden natuurwetten.
‘Om te poepen met veel schuim doe dan Persil in de pruim !’
Dat riep Tetten vanaf een weipaal. Hij spreidde plechtig de armen zoals Christus aan het kruis en sprong er meteen na zijn mededeling weer af. Kommenist en zijn broers lachten een lach die als ijswater over mijn rug liep. Natte gaf Tetten een vriendschappelijke hengst tussen de schouderbladen die hem languit in het gras deed belanden. Weer gelach. Ook van de vrouwen nu. En zelfs van Martha.
Maar echte inwijding gaat natuurlijk gepaard met het verliezen van onschuld. Van den Broeck weet dat. De legeroefening zakt daarom als een pudding in elkaar, omdat de vijand niet komt opdagen. Voeg daarbij de hitte, die de verveelde soldaten goed bronstig maakt, en je weet wat er staat te gebeuren: zwijnerijen, handgemeen en zattepraat. Overdevaart wordt alsnog een slagveld, met soldaten en boerenzonen die elkaar naar het leven staan.

Stijn staat er bij en kijkt ernaar — door de lens van zijn aftandse kodak. Dit ontroerende beeld moeten we waarschijnlijk opvatten als een voorafspiegeling van het schrijverschap an sich: de schrijver die per definitie afstand neemt tot wat er voor zijn ogen afspeelt, maar het toch op een blijvende manier vormgeeft. Stijn kampt daarbij met gewetensproblemen. Hij heeft de wereld in al zijn onvolmaakte glorie aanschouwd en vraagt zich af of, en op welke manier, hij zijn verhaal wereldkundig maken moet. En waar blijft hijzelf in dit alles, niet als observator, maar als handelend wezen?
Zonder spiegel zou ik zelf nooit op de gedachte komen dat ook ik hoofdhaar, een voorhoofd, wenkbrauwen, een neus, een mond en een kin kon hebben. Zonder spiegel zou ik geloven dat mijn hele leven gezicht één groot kijkgat was.
De laatste dertig bladzijden zijn de beste van het boek. Walter van den Broeck is een van die schrijvers die zich moeite getroost om mensen op te voeren in de volkstaal, zonder daar helemaal mee samen te willen vallen en zo zijn eigen parodie te worden, zoals Leo Pleysier.

Hij houdt van het volkse, van de provincie, van de traditionele vertelling ook. Twee jaar na Een lichtgevoelige jongen zou hij Op gelijke voet publiceren, een heel terechte 'brief aan cultureel Vlaanderen' waarin hij kritische kanttekeningen plaatst bij het snobisme van de stadscultuur ten aanzien van de 'provincialistische' cultuur. Van den Broeck klaagt er ook de subsidievretende vormexperimenten van de grote theatergezelschappen in aan.

Van den Broeck hoort in een andere traditie thuis, die van Buysse, Streuvels, Claes, Timmermans, Walschap, Boon, Claus. Hij steekt dat ook niet onder stoelen of banken, getuige de leeswijzer vooraan Een lichtgevoelige jongen.
Voor Cyriel, Stijn, Nest, Felix, Gerard, Lowie, Piet, Hugo en al die anderen.
De tijd zal maandag 22 juni 1953 zij, de plaats zo min of meer mijn geboortedorp waaraan ik pour le besoin de la cause Klein Korea zal toevoegen, een onbestaande wijk in de buurt van de Mosselgoren, plus café De Verloren Duif, café De Zegge en nog een paar kleinigheden.
Echte en verzonnen personages zal ik door elkaar gebruiken. Echte en fictieve gebeurtenissen zal ik bij elkaar verzinnen zoals jullie het mij hebben voorgedaan.
Ik van mijn kant voel nog altijd aarzeling om het werk Cyriel, Stijn, 'Nest', Gerard, 'Lowie' en Felix in te duiken — Hugo vormt geen probleem, omdat hij zoveel toevoegt —, en ben daarom blij dat Van den Broeck die naturalistische school gedurende zijn hele carrière heeft willen updaten. Maar het wordt tijd voor zijn grote boeken. Volgend jaar. Beloofd.

(Gebaseerd op notities van 10 november 2001.)

Walter van den Broeck, Een lichtgevoelige jongen
207 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 2001

____

vrijdag 25 maart 2011

Het kerkhof van de wetenschap - Hans van Maanen

"Geschiedenis wordt geschreven door overwinnaars, en dat geldt nergens zo sterk als in de wetenschapsgeschiedenis." Zo staat het op de kaft van Het kerkhof van de wetenschap. Met de stukken in dit boekje, eerder verschenen in de wetenschapsbijlage van het Parool, wil Hans van Maanen eerherstel geven aan de wetenschappers wier opvattingen de toets der kritiek niet konden doorstaan. Zij zijn immers niet de onnozele halzen voor wie we hen dreigen te verslijten.

Het is simpel. De geschiedenis van de wetenschap bevat meer dwalingen en weerleggingen dan ijzeren theorieën. Dat is niet erg en moet zeker niet worden verdoezeld, vindt Hans van Maanen, want "het vormt de kern van het onderscheid tussen godsdienst en wetenschap, tussen zekerheid en twijfel, tussen astrologie en astronomie".

Essentieel in de wetenschap is het wieden van foute opvattingen. Maar omdat we meestal de succesverhalen van de wetenschap te horen krijgen — met Galilei, Newton, Darwin en Einstein als boegbeelden — vergeten we dat snel. We hebben de neiging de moderne inzichten als de enig mogelijke, de noodzakelijk juiste, te zien. Omdat het heden de maatstaf voor het verleden wordt, wordt de kwaliteit van de oude opvattingen afgemeten aan de huidige. Die reflex is fout, zegt Van Maanen.

De moderne wetenschap deugt niet. De wetenschap van de zeventiende eeuw deugde niet, die van de achttiende en de negentiende eeuw zat eveneens vol fouten, dus er is geen enkele reden om aan te nemen dat die van de twintigste eeuw wel klopt. Natuurlijk, de missers van de theorieën uit vervlogen tijden zijn eruitgehaald — dat is vooruitgang — maar ‘onomstotelijk’ zijn wetenschappelijke theorieën nooit.
Als Het kerkhof van de wetenschap dus iets wil, is het aanmanen tot bescheidenheid. Mensen die vroeger foutieve ideeën aanhingen, waren niet dom, en nogal wat slimme mensen van nu zullen er later helemaal naast blijken te zitten. De juistheid van een theorie heeft immers weinig te maken met de intelligentie van de wetenschapper. Franz Joseph Gall (1758-1828) ontwikkelde rond 1800 de frenologie: de theorie die stelt dat aanleg en karakter bepaald worden door de groei van bepaalde hersendelen. Het karakter zou dan afgeleid kunnen worden uit de vorm van de schedel, die bepaalde knobbels zou vertonen. Niet juist, bleek later. De lijst aanhangers van de frenologie was echter indrukwekkend: van Bismarck, en Marx tot Balzac en de Brontës, van de Amerikaanse president Garfield tot de Britse koningin Victoria.

En wat te denken van al die knappe koppen aan het begin van de negentiende eeuw die er rotsvast van overtuigd waren dat er op Mars intelligente wezens wonen? Niet het bewijs voor buitenaards leven hield hen bezig, dat vonden ze overbodig, maar het probleem hoe met dat leven in contact te komen.
De wiskundige Karl Friedrich Gauss kwam in 1802 met het voorstel dennen in de steppes van Siberië te planten in de vorm van een meetkundige figuur die de stelling van Pythagoras zou illustreren. De Weense astronoom Von Littrow wilde kanalen in de Sahara graven om die met benzine op te vullen en ’s nachts aan te steken, en zo waren er ook plannen om via grote, beweeglijke holle spiegels boodschappen in het Marsoppervlak te branden.
De kleine afwijking wordt vermenigvuldigd
Het kerkhof van de wetenschap beschrijft kort de voornaamste dwaalsporen van 2500 jaar wetenschap: geografische, astronomische, biologische, medische en logische misvattingen. De nadruk ligt duidelijk op de natuurwetenschappen — "in de sociologie en de psychologie wordt nu eenmaal meer beweerd dan weerlegd".

Ik heb veel gehad aan dit boek. Mijn kennis van de hedendaagse natuurkunde is al twijfelachtig, maar de kennis van de voorgeschiedenis van veel begrippen bleek één grote ramp. Nooit geleerd op school. Voorbeeld. Als iets eenmaal beweegt, blijft het gewoon eenparig (met dezelfde snelheid) bewegen — dat wist ik. Ik wist niet dat men vroeger geloofde dat een beweger of impetus nodig was voor beweging. Ander voorbeeld. Warmte is inderdaad een beweging van moleculen. Maar dat men vroeger aan warmte in termen van een stof dacht?

Ook de voorhistorie van het begrip 'electriciteit' was me niet bekend. William Gilbert (1544-1603) deed onderzoek naar statische elektriciteit, met behulp van barnsteen. Het Griekse woord voor barnsteen is 'elektron', waarop Gilbert besloot om de statische lading van barnstenen 'elektrische kracht' te noemen. Gilbert betoogde dat elektriciteit en magnetisme van elkaar verschilden. Zo beweerde hij (ten onrechte) dat magnetische aantrekkingskracht bij hitte in stand bleef, terwijl elektrische aantrekkingskracht verdween. James Clerk Maxwell (1831-1879) toonde aan dat beide effecten onder dezelfde noemer vielen: elektromagnetisme.

Gilberts magnetisme was de onzichtbare kracht die vele andere natuurfilosofen, zoals Johannes Kepler (ten onrechte) gebruikten om de bewegingen die zij in de natuur zagen te verklaren. Het magnetisme werd door William Gilbert ‘animistisch’ verklaard. Het beslissende verschil met iemand als Galilei is dat deze zich niet liet verleiden tot het beantwoorden van de vraag waarom een voorwerp viel en wat dan de ziel van de aarde was, maar eerst eens wilde weten hoe snel een voorwerp eigenlijk viel. Bovendien bedreef Galilei wiskunde, terwijl Gilbert nog in kwalitatieve uitspraken bleef steken.

Af en toe maakt de opheldering van een hardnekkig misverstand de weg vrij voor een heel vruchtbare nieuwe wetenschapstak. Volgens de Duitse arts Georg Ernst Stahl (1660-1734) bevatten alle brandbare materialen iets dat flogiston werd genoemd — een substantie zonder kleur, geur, smaak of gewicht, die de eigenschap van hitte in zich droeg. Flogiston zou uit het materiaal vrijgemaakt worden door verbranding. De Franse scheikundige Antoine Lavoisier (1743-1794) geldt als omverwerper van de flogiston-theorie, en daarmee als grondlegger van de moderne scheikunde.
Lavoisier hield vast aan de regel dat er tijdens een scheikundige reactie nooit massa verdwijnt of bijkomt. Het probleem daarbij was, dat gassen moeilijk te wegen waren. Lavoisier ontwierp ingenieuze apparatuur waarmee hij gas in een afgesloten vat kon houden en dus kon nagaan of er sprake was van gewichtsverandering. Zo verbrandde hij zwavel en fosfor, en ontdekte dat het gewicht van de lucht inderdaad afnam terwijl de gevormde zwavel- en fosforverbindingen navenant zwaarder waren geworden. Hij concludeerde dat de lucht — of, waarschijnlijker, een of andere stof uit de lucht — aan de reactie had deelgenomen.
Een race met de Britse onderzoeker Priestley en de Duitser Scheele resulteerde in de ontdekking van zuurstof. In een artikel uit 1777 toonde Lavoisier aan dat verbranding niet het ontwijken van flogiston is, maar het reageren met zuurstof. Niet de roest en het erts zijn elementair, maar de metalen. Toen hij zich er ook nog van overtuigd had dat water is samengesteld uit waterstof en zuurstof, was hij klaar voor een frontale aanval op de alchimie en de flogiston-theorie en kon hij de nieuwe scheikunde van de grond af opbouwen.
Bij momenten is de geschiedenis van de wetenschap best aandoenlijk. Niet in het minst omdat grote theorieën vaak onderzocht dienen te worden met weinig tot de verbeelding sprekende methodes en proefobjecten. Het Lamarckisme werd onder meer getest door muizenstaarten af te hakken. Lintwormen speelden een belangrijke rol bij het onderzoek naar spontane generatie. Bij het vraagstuk van de preformatie werkte men met kippeeieren.

Het kerkhof van de wetenschap had voor mij ook nut wanneer het kordaat een paar belangrijke issues uit de twintigste-eeuwse natuurkunde aankaartte, zoals de relativiteitstheorie, de quantummechanica en de chaostheorie.

De quantummechanica lijkt voorgoed komaf te hebben gemaakt met het determinisme. Dat is een filosofisch concept dat stelt dat elke gebeurtenis of stand van zaken veroorzaakt is door eerdere gebeurtenissen volgens de causale wetten die de wereld regelen en beheersen. Dit sluit bij een radicale interpretatie (het harde determinisme) in feite de menselijke vrije wil uit, vermits daarvoor in een rationeel universum geen plaats is. De klassieke definitie is afkomstig van de Fransman Pierre-Simon Laplace (1749-1827):
Een intelligentie, die, op een zeker moment, alle krachten die in de natuur werken, en de toestanden van alle elementen, waaruit deze is opgebouwd, zou kennen, zou, als ze overigens groot genoeg was om al deze gegevens te kunnen analyseren, in een enkele formule de beweging van de grootste lichamen in het heelal en die van het kleinste atoom beschrijven: niets zou hiervoor onzeker zijn, en de toekomst, net zoals het verleden, zou tegenwoordig zijn in haar ogen. De menselijke geest, die de sterrenkunde zo volmaakt heeft leren beschrijven, vormt een flauwe afspiegeling van zo'n intelligentie.
Als we zijn redenering volgen zegt hij dus volgens Wikipedia het volgende: 1. De huidige toestand van het universum is een gevolg van een vorige toestand. 2. De huidige toestand is dan weer een oorzaak van de toestand die daarop volgt. 3. Stel nu dat een intelligent wezen (geest) op gelijk welk ogenblik een precies inzicht zou hebben in de krachten van de natuur die hierbij aan het werk zijn... dan zou het zowel de toekomst als het verleden van om het even welke entiteit kennen. Hans van Maanen somt in zijn boek echter de bezwaren op tegen het determinisme die in de loop van de twintigste eeuw werden geformuleerd.
Zo’n intelligent wezen dat de toekomst kan voorspellen, zou dat zelf niet complexer zijn dan het hele universum — en zou het bovendien niet ook zichzelf in de beschouwingen moeten betrekken? Hoe zal zijn gedrag zich ontwikkelen, en hoeveel invloed heeft dat weer op de wereld?
Meer fundamentele problemen kwamen met de opkomst van de niet-klassieke natuurkunde, de quantummechanica, die zich bezighoudt met sub-atomaire deeltjes.
Toeval bestaat echt, zegt de moderne natuurkunde. Radioactieve stoffen hebben in hun atoomkern naar verhouding te veel deeltjes, en die raken ze kwijt in de vorm van straling (of van deeltjes, dat komt op quantumniveau op hetzelfde neer). Hoewel we zeker weten dat na bij voorbeeld een jaar de helft van de atomen in een radioactieve stof zal zijn ‘vervallen’, is het onmogelijk te voorspellen welk atoom op een gegeven moment een deeltje zal wegzenden. De keten van oorzaak en gevolg is hier gestopt: er is geen diepere oorzaak achter het uitzenden van een deeltje.
Nog duidelijker blijkt dit als we waarnemingen in de quantummechanica willen interpreteren. We kunnen hier niet meer met zekerheid zeggen waar een elektron zich op een gegeven moment zal bevinden: we kunnen slechts zeggen dat het waarschijnlijker is dat het zich op de ene dan op de andere plaats bevindt.
Maar zelfs al volgt de wereld strikt deterministische wetten dan zal de mens er toch niet in slagen de toekomst te voorspellen. Edward Lorenz (1917-2008) toonde in de jaren vijftig aan dat gekoppelde differentiaalvergelijkingen instabiel kunnen zijn. Dat betekent dat fouten in de numerieke berekening in de tijd steeds groter worden. Lorenz wou het weer voorspellen maar merkte dat bij voorzichtig afgeronde getallen (lees: met afwijkingen van een duizendste) de computer al een volstrekt ander weerpatroon liet zien. De kleine afwijking wordt vermenigvuldigd tot een steeds grotere onzekerheid. Als dat zo is, dan is volgens het bekende beeld de vleugelslag van een vlinder in Brazilië al voldoende om een wervelstorm in Texas te veroorzaken.

Een andere knauw in onze hang naar het absolute, het onwrikbare, gaf Albert Einstein (1879-1955) een paar decennia eerder. Einstein verwierp het bestaan van ether. Als we eenvoudig als axioma aannemen dat de lichtsnelheid altijd gelijk blijft of we meebewegen of niet, dan hebben we zo'n vast referentiekader niet nodig om een goede natuurkunde op te bouwen. Van Maanen:
Ruimte en tijd, die in de newtoniaanse fysica absoluut vastlagen, kunnen best relatief worden. Ze zijn afhankelijk van de snelheid waarmee de waarnemer beweegt — niet ten opzichte van de ether, maar van hetgeen hij waarneemt. Een trein lijkt langer voor iemand die meerijdt dan voor iemand die niet meebeweegt, en een klok in de trein loopt langzamer. Normaal gesproken zijn de verschillen niet meetbaar, maar zodra we te maken krijgen met snelheden in de buurt van de lichtsnelheid, gaan deze ‘relativistische effecten’ optreden.
Waar Einstein níet mee kon leven is de onzekere aard, het relatieve karakter van subatomaire deeltjes, dat door Niels Bohr (1885-1962) en Werner Heisenberg (1901-1976) werd gepropageerd. Als onze instrumenten erop gericht zijn het deeltjeskarakter waar te nemen, zien we een deeltje zodat het golfkarakter zich aan onze waarneming onttrekt, en andersom. We kunnen niet meer zeggen wat licht werkelijk is, alleen nog maar hoe het zich aan ons voordoet in de proefopstelling. De waarneming beïnvloedt onontkoombaar het verschijnsel, en het is zinloos te filosoferen over de vraag hoe het verschijnsel zou zijn als we niet meer kijken. Het lijkt, zo zei Bohr, een beetje op experimenten in de psychologie: we kunnen niet iemand ondervragen zonder hem tegelijk aan het denken te zetten en dus te veranderen.

Toch was het niet al relativisme wat de klok sloeg in de twintigste eeuw. Bepaalde soorten kennisrelativisme werden een krachtig halt toegeroepen. De Amerikaanse taalkundigen Edward Sapir (1884-1939) en Benjamin Lee Whorf (1897-1941) beweerden in de naar hun genoemde hypothese dat wij de wereld ontleden volgens de regels die zijn neergelegd in onze moedertaal. In de woorden van Whorf: "De categorieën en indelingen die we uit de wereld van verschijnselen halen, zijn er niet omdat ze iedere waarnemer aanstaren; integendeel, de wereld is een kaleidoscopische stroom indrukken die in onze hersenen moet worden georganiseerd — en dat wil zeggen door het taalsysteem in onze hersenen."

Maar het feit alleen al dat Whorf kon uitleggen wat de verschillen tussen Hopi en Engels dan precies waren — hun voorbeelden — pleit tegen zijn hypothese. Als Aboriginals Engels leren kunnen ze best 'drie, vier, vijf' etc. leren gebruiken — woorden die ze in hun eigen taal niet hebben. Bovendien is het duidelijk dat mensen die eenzelfde taal spreken niet allemaal hetzelfde denken. Exit Sapir-Whorfhypothese dus. Merkwaardig genoeg dook ze aan het begin van de jaren zeventig opnieuw op in iets andere vorm bij wetenschapsfilosofen zoals Kuhn en Feyerabend. Nieuwe theorieën bepalen nieuwe waarnemingen zeiden ze. Van Maanen is formeel: "Hier is sprake van een achterstand van zeker twintig jaar van een aantal wetenschapsfilosofen op taalkundigen."


Wetenschappelijke folklore: het magnetisch perpetuum mobile van John Wilkins (1861). Als de magneet (A) sterk genoeg is om het balletje (E) de helling op te trekken, is er geen enkele reden waarom hij het door het gat (B) zal laten vallen.

Uithoudingsvermogen
Over wetenschapsfilosofie gesproken. Net zoals Het kerkhof van de wetenschap ooit ijzersterk gewaande theorieën oplijst die inmiddels tot de folklore behoren, fungeert het boekje ook als belangrijke kanttekening bij de straffe theorieën die door filosofen zijn geopperd over wat dat nu überhaupt betekent, wetenschap bedrijven.

De logisch-positivisten van de Wiener Kreis (1920-1938) [zie ook A.J. Ayer op YouTube] dachten bijvoorbeeld voorgoed te hebben uitgemaakt wat wetenschap onderscheidt van filosofie. Hun aanpak wordt ‘logisch’ genoemd omdat zij de moderne logica als instrument wilden hanteren om waar van onwaar te onderscheiden, en ‘positivistisch’ omdat zij vonden dat de wetenschap alleen uitspraken moet doen over dingen die wetenschappelijk zijn waar te nemen. Volgens Schlick, Carnap, Neurath et les autres heeft een uitspraak pas zin als hij ‘geverifieerd’ kan worden. Van Maanen vat de redenering zo samen:
Er zijn twee soorten beweringen: zinnige en onzinnige. Een zinnige bewering is een bewering waarvan men kan zeggen of hij waar is of niet – ‘de straten zijn nat’, of ‘morgen is het zondag’. Kan men daarentegen van een bewering niet uitmaken of hij waar is of niet, dan is de bewering zinloos, en hebben we te maken met metafysica. Dat gebeurt bijvoorbeeld, als zo’n bewering een zinloze term bevat. Zinnen die gaan over het ‘eeuwig zijnde’ of ‘de levenskracht’ of ‘God’ zijn zinloos, want het is onmogelijk om aan te geven wat het niet uitmaakt of de uitspraak waar is of onwaar. Wie niet gelooft dat de straten nat zijn, kan naar buiten gaan en kijken, wie de zin ‘al het Zijnde streeft naar het Absolute’ niet gelooft, kan dat niet. Daarom is de laatste zin pure metafysica, hij draagt niets bij aan onze kennis van de wereld. Talloze problemen waarmee de filosofie zich eeuwenlang heeft beziggehouden, berusten op dergelijk zinleeg taalgebruik, en het is de taak van de filosofie deze schijnbaar diepzinnige uitspraken te ontmaskeren.
In eerste instantie lijkt er geen speld tussen de krijgen, maar toch is hier vanalles mis mee. Om te beginnen kan dit uitgangspunt zelf niet geverifieerd worden, en wordt het daarmee pure metafysica. De meeste wetenschappelijke stellingen — triviale zoals 'Alle raven zijn zwart', maar ook wetten als 'Iedere scheikundige verbinding heeft een constante gewichtssamenstelling' — kunnen niet volledig geverifieerd worden. Daarbij, veel vakken zoals ethica, esthetica, psychologie en sociologie worden na het uitbannen van alle metafysica ook onbruikbaar kaal.

Karl Popper stelde er daarom het falsificatiebeginsel tegenover, en verving 'zinvol' of 'zinledig' met 'wetenschappelijk' of 'onwetenschappelijk'. Een uitspraak is pas wetenschappelijk als het de voorwaarde expliciteert voor zijn eigen weerlegging, volgens de formule: 'Als dit niet blijkt te kloppen, dan deugt mijn theorie niet.' Een uitspraak moet kunnen gefalsifieerd worden. Duikt er een uitzondering op, dan dient de 'wet' onmiddellijk afgevoerd.

Van Maanen wijst op de nieuwe manco's van deze al even aantrekkelijke theorie. De geschiedenis van de natuurwetenschap toont dat er bij het verwerpen van een theorie, zo blijkt wel uit voorbeelden als flogiston, ether en warmtestof, meer komt kijken dan alleen de foute voorspelling. De theorie kan worden bijgesteld, de waarnemingen kunnen worden betwijfeld, de competentie van de onderzoekers kan ter discussie worden gesteld, enzovoort. Om een standpunt te verdedigen zijn er altijd wel argumenten te vinden, en wetenschap omvat heel wat meer dan alleen weerlegbare uitspraken waarover puur rationeel onderhandeld kan worden. Als dat niet zo was, waren we snel uitgepraat, zegt Van Maanen.

Een theorie die samenhangend en logisch is en veel oude en nieuwe verschijnselen kan verklaren kan het daarom heel lang uithouden. De zeventiende-eeuwse opvattingen over elektriciteit, of de evolutietheorie van Jean-Baptiste de Lamarck (1744-1829) waren allebei uitstekende wetenschappelijke theorieën: ze verklaarden wat verklaard moest worden, ze voorspelden nieuwe verschijnselen, ze gaven aanleiding tot veel vruchtbaar onderzoek, en voor wie niet beter wist, klopte het allemaal. Maar ze werden weerlegd toen er feiten op tafel kwamen die niet met de uitgangspunten strookten.

Nog een extremer voorbeeld: het stelsel van Claudius Ptolemeus van Alexandrië, ontworpen in de tweede eeuw van onze jaartelling, slaagde er bijna perfect in alle onregelmatigheden te verdisconteren. Het voldeed dan ook anderhalfduizend jaar. Onregelmatigheden werden weggewerkt met lapmiddelen als epicykels, deferenten en excenters.

Vaak is het niet gewoon wachten op wíe een theorie de doodsteek geeft, maar wát. De vreemde lijnen op Mars werden achtereenvolgens geïnterpreteerd als kanalen, breuken in het oppervlak, stroken vegetatie en bevingsgebieden. Het duurde echter tot de tijd van de kunstmanen (met als eerste de Mariner 9 in 1971!) voordat werkelijk duidelijk werd dat de kanalen volstrekt niet bestaan en niet anders dan gezichtsbedrog zijn geweest.

Hebben we het nog niet gehad over psychologische en sociologische factoren die spelen in het wetenschappelijke bedrijf. De invloed van autoriteiten, of van clan-mentaliteit. Vaak blijken de voorkeuren van deze of gene theorie behoorlijk nationaliteitsgebonden. En niet iedereen durft zomaar de theorieën van grootheden als Newton en Linneaus aan te vallen, hoewel ook zij er dikwijls helemaal naast zaten.

Wat clan-mentaliteit betreft, biedt de theorie van het vitalisme een mooie case study. Op de vraag 'Wat is leven?' luidt het antwoord dat tegenwoordig het meeste opgang doet dat ‘leven’ een kwestie van organisatie is: levende wezens vormen een ingewikkelde organisatie van op zich niet-levende dingen. In de jaren twintig en dertig was het vitalisme echter zeer populair onder biologen: de doctrine dat het leven niet alleen als mechanisme verklaard kan worden, maar een onstoffelijke element aangeduid als de 'essentiële vonk' of energie noodzakelijk acht. Sommige mensen die geloofden in vitalisme vergeleken dit element met de ziel. Bij de populariteit van het vitalisme, zegt Van Maanen, zal zeker een rol hebben gespeeld dat zij de behoefte hadden hun vakgebied te verdedigen tegen de steeds verder oprukkende natuur- en scheikunde.
Hun studie-object, het leven, dreigde ‘weggreduceerd’ te worden. Maar fysica en chemie werden met succes ingelijfd in de biologie, en in die opbloei werd het vitalisme naar de achtergrond gedrongen. Althans, de hele vraag naar ‘het wezen van het leven’ werd van de wetenschappelijke agenda afgevoerd. (…) Het vitalisme is een zachte dood gestorven, niet zozeer omdat het weerlegd was — het is even onweerlegbaar als zijn tegendeel — maar omdat het onvruchtbaar was: het is veel interessanter om te veronderstellen dat het leven wel met behulop van chemie en natuurkunde kan worden opgehelderd.
Ook de affaire-Fleischmann en Pons legt de typische gevoeligheden van bepaalde actoren in het wetenschappelijke bedrijf bloot. Bij typische kernfusie — het samensmelten van lichte atomen tot zwaardere — zijn extreem hoge temperaturen nodig. Denk aan de zon: in de zon smelten waterstofatomen samen onder invloed van de enorme druk in de kern bij 15 miljoen graden. In 1989 publiceerden de elektrochemici Martin Fleischmann en Stanley Pons echter een wetenschappelijk artikel waarin ze zeiden kernfusie onder veel mildere condities te hebben bereikt. Het ging om een bij-effect van een elektrochemische reactie aan een palladium-elektrode waar waterstof werd gevormd. Waterstof lost op in de palladiumelektrode en de twee wetenschappers meldden dat bij hun opstelling meer energie vrijkwam dan ze er in stopten. Er bleek weinig van te kloppen. Van Maanen:
De hele affaire — die overigens ook in de jaren na de eerste aankondiging nog af en toe opflakkerde — heeft vooral een verrassend diepe kloof duidelijk gemaakt tussen natuurkundigen en scheikundigen. Natuurkundigen waren van meet af aan skeptisch, terwijl scheikundigen algemeen de kant van Fleischmann en Pons kozen. De scheikundigen leken de behoefte te hebben die arrogante natuurkundigen eens een lesje te leren: waar de kernfysici al jaren machteloos werkten aan hete fusie, deden twee chemici het simpel met koude. Waar de kernfysici miljarden verslindden aan enorme apparaten, hadden de chemici genoeg aan een jampotje.
Geloof spectaculaire claims niet voordat het artikel is verschenen in een vakblad, adviseert Van Maanen, en dan nog is het afwachten wat de rest van de wereld ervan vindt. Maar dat geldt eigenlijk voor iedere wetenschappelijke publikatie.

In bepaalde gevallen kunnen theorieën succesvol worden juist omdát ze tegen de wetenschappelijke mainstream invaren. Zoals de homeopathie. De geneeskunde had aan het eind van de achttiende eeuw bepaald geen goede naam. Geneesheren stonden tegenover de meeste ziekten machteloos, en als zij eens ingrijpen dan was het met zoveel geweld dat de patiënten het vaak niet konden navertellen. Buitengewoon giftige drankjes op basis van kwik en arsenicum hadden de voorkeur, en aderlaten, verhongeren en anderszins mishandelen behoorden tot het vaste repertoire, schrijft Van Maanen. Toen kwam Samuel Hahnemann (1755-1843) met zijn zachtaardig alternatief.

Soit. De theorie uit het boek die me zelf het meeste bezighoudt, is de moderne evolutietheorie. Van Maanen noemt het terecht een "centraal dogma" van de evolutiebiologen dat het milieu geen enkele manier het erfelijk materiaal kan beïnvloeden. Het op de volgende generatie over te dragen erfelijk materiaal zit veilig weggeborgen in de geslachtscellen (zaadcel en eicel), en het verandert alleen door toeval of door beschadigingen, bijvoorbeeld door radioactiviteit.

Blijft die theorie in zijn pure vorm standhouden? Werkt de polemische furor van haar voornaamste promotoren geen vooroordelen in de hand? Ik voel in hun betoog vaak een hoera-stemming die ik nooit helemaal begrijp. Zo vrolijk is die hele natuurlijke selectie niet.

Hoe bewijsbaar is die hele evolutiebiologie eigenlijk? Ik moet denken aan het voorbeeld dat Bert Theunissen gaf in zijn Diesels droom en Donders' bril — nog zo'n boek dat aantoont hoeveel groezeliger het wetenschappelijk bedrijf is dan de kant-en-klare weetjes op de middelbare school doen uitschijnen. Theunissen noemt het geval van Sherwood Washburn en Sarah Blaffer Hrdy. De theorieën van Washburn, voor wie de ontstaansgeschiedenis van de mens te karakteriseren als de evolutie van de jagende man in een door de man gedomineerd groepsgebeuren, paste goed bij de verklaring van de rechten van de mens, met als uitgangspunt dat iedereen gelijkwaardig is. Alleen lieten nieuwe apenstudies daarna zien dat haremvorming en mannelijke dominatie niet bepaald standaard waren. Zowel mannen en vrouwen hadden een sociale rol te vervullen in de groep. Hrdy, niet toevallig een antropologe met een feministische achtergrond, maakte er haar levenswerk van de theorieën van Washburn in vraag te stellen en de rol van de vrouw en het individu in het groepsgebeuren uit te klaren.

Is Het kerkhof van de wetenschap, verschenen in 1991, zelf al gedateerd? Bij mijn weten alvast op één punt. De Britse wiskundige Andrew Wiles heeft in 1994 het bewijs van de laatste stelling van Fermat geconstrueerd. Verder ontdekte ik een redactiefoutje — John Passmore is een Australische filosoof, geen Amerikaanse.

Maar Van Maanen is niet genoeg te prijzen. Laat zijn artikels dan soms te kort zijn voor de leek om alle bewijsvoering comfortabel te kunnen absorberen. Daarvoor bestaan weer andere boeken. Over de twisten tussen de peetvaders van de geologie heeft Salomon Kroonenberg prachtig geschreven. Tegen Sapir en Whorf ken ik hartstochtelijke bladzijden van Steven Pinker. Enzovoort.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> lees enkele hoofdstukken op de website van Hans van Maanen
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder

Hans van Maanen, Het kerkhof van de wetenschap
171 p.
Uitgeverij Boom, 1991


Topics (met de wetenschappers die hebben bijgedragen tot de discussie):

Het geocentrische wereldbeeld (Apollonius, Hipparchus, Ptolemeus, de Almagest, Copernicus, Kepler, Galilei, Newton): 11
De maan van Venus (Fontana, Lambert, Stroobant): 18
Leven op Venus (Lomonosov, Flammarion): 20
De wet van Bode (Bode, Titius, Piazzi, Le Verrier): 21
Kanalen op Mars (Gauss, Von Littrow, Schiaparelli, Perrotin, Thollon, Lowell, Lampland): 23
Fossiele getuigen van de zondvloed (Scheuchzer, Van Marum, Cuvier, Von Siebold): 28
Neptunisme — de oeroceaan (Werner, plutonisten zoals Hutton): 32
Catastrofisme (Hutton, Cuvier, Lyell): 35
De ouderdom van de aarde (Thomson, Becquerel, Alvarez, Smit): 37
Impetus — inwendig bewegend vermogen (Aristoteles, Stevin, Philoponos, Buridan, Tartaglia, Santbech, Galilei, Newton): 41
Angst voor het ledig (Galilei, Torricelli, Pascal, Boyle, Linus): 45
Een stof brandt als er flogiston in zit (Stahl, Becher, Lavoisier) : 48
Warmte is een stof (Lavoisier, Laplace, Thompson): 51
De magnetische ziel (Gilbert, Galilei): 55
Elektrische uitvloeisels (Nollet, Van Musschenbroek, Cabeo, Newton, Hauksbee, Dufay, Cunaeus, de Leidse fles, Réaumur, Franklin, Collinson, Hoch, Coulomb, Thomson): 57
Lichtdeeltjes (Euclides, Snellius, Da Vinci, Kepler, Grimaldi, Newton, golftheorie: Huygens, Euler, Franklin, Young, Fresnel, Foucault, fotonen: Einstein, Bohr): 66
Ether (Descartes, Newton, Michelson, Morley, Lorentz, FitzGerald, Einsteinn
70
N-straling (Blondlot, Charpentier, Lummer, Wood): 74
Polywater (Fedjakin, Derjagin, Bernal, Lippincott, Donahoe, Rousseau): 79
Koude kernfusie (Pons, Fleischmann): 82
Spontane generatie — het ontstaan van levende wezens uit dode materie (Redi, Spallanzani, Schelling, Rudolphi, Remser, Lamarck, Darwin, Steenstrup, Pasteur, Oparin): 87
Preformatie — levende vorm al bij conceptie aanwezig (Aristoteles, Fabrizio, Harvey, De Graaff, Swammerdam, Malpighi, Hartsoeker, Van Leeuwenhoek, Linnaeus, Vallisnieri, De Maupertuis, Von Baer, Hertwig, Fol): 91
Lamarckisme — het idee dat een individueel organisme karakteristieken, die het verworven heeft tijdens zijn leven (door de druk der omstandigheden of door gewoonte) aan zijn nakomelingen kan doorgeven (Lamarck, Wetherill, Weismann, Darwin, Wallace, Mendel, De Vries): 95
Aderlaten (Podalekrios, Broussais, Bouillaud, Louis): 99
Vitalisme — in elk levend wezen zit 'iets' wat niet in dode dingen zit (Aristoteles, Harvey, Stahl, Buffon, Driesch, Roux): 102
Criminologie — misdaad verklaren uit de lichamelijke en geestelijke eigenschappen van de dader (Lombroso, Garofalo, Ferri): 106
Besmettelijke ziekten door kwalijke dampen (Chadwick, Sydenham, Von Pettenkofer, Fracastoro, Van Leeuwenhoek, Pasteur, Koch): 109
De malariabacil (Pasteur, Koch, Klebs, Tommasi-Crudeli, Marchiafava, Griffini, Laveran): 112
Telegonie — het verschijnsel dat nakomelingen soms de eigenschappen aannemen van een eerdere seksuele partner van hun moeder (Beecher, Darwin, Spencer, Ewart, Mendel): 115
Frenologie — hersenvergelijking (Gall, Spurzheim): 117
Homeopathie (Hahnemann, Avogadro): 121
Axiomatiek (Euclides, Descartes, Newton, Spinoza, de verzamelingeleer van Cantor, Gödel, het vermoeden van Goldbach): 129
De kwadratuur van de cirkel, de verdubbeling van de kubus, de driedeling van de hoeken (wat rest: de laatste stelling van Fermat): 132
De rekenliniaal (Napier, Gunter, Oughtred, Delamain, Watt, Mannheim):b136
Het perpetuum mobile (Fludd, Wilkins, Von Helmholtz, Carnot, Watt): 139
Het logisch-positivisme en de Weense kring (Schlick, Carnap, Neurath, Kraft, Frank, Gödel, Russell, Popper, Wittgenstein): 144
De hypothese van Sapir en Whorf — wij ontleden de wereld volgens de regels die zijn neergelegd in onze moedertaal (Sapir, Whorf, Kuh, Feyerabend): 148
Determinisme (Newton, Laplace, Heisenberg): 151
Weersvoorspelling (Von Neumann, Lorenz): 154

____

Related Posts with Thumbnails