dinsdag 8 december 2009

Wat is cultuurgeschiedenis? - Peter Burke

Ik ontdekte pas laat dat wat in de humaniora voor 'geschiedenis' moest doorgaan, beperkt bleef tot één aspect van die geschiedenis: het politiek-staatkundige. Geschiedenis was het verhaal van koningen en keizers, stambomen en dynastieën, oorlogen en staatsgrenzen. Cultuur was er ook, maar voornamelijk hoge cultuur. Terwijl aandacht voor de 'gewone man' en mentaliteitsgeschiedenis echt geen uitvindingen zijn van de laatste paar jaar. Of toch?

Ook televisiemakers, wordt ergens in dit boek opgemerkt, benaderen geschiedenis het liefst vanuit politiek, militair, en af en toe sociaal-economisch oogpunt. Waarom, vraag ik me dan af. Omdat die invalshoek makkelijker te ondersteunen is met archiefbeelden? Omdat dat soort programma's een overwegend ouder mannelijk publiek trekt dat van oorlog nooit genoeg krijgt?

In Wat is cultuurgeschiedenis? brengt de Britse historicus Peter Burke zijn vakdomein in kaart. Het is eerder een becommentarieerde literatuurlijst dan een theoretisch exposé. Honderden boeken komen langs, en dat dwingt Burke tot grote algemeenheid. Zijn beschrijvingen zijn nogal mat en slagen er vaak niet in de verdiensten van een bepaalde auteur in de verf te zetten. Tenzij Burke meerdere bladzijden inruimt, zoals-ie doet voor de pioniers en theoretici van een bepaalde richting. Erg is dat beknopte trouwens niet: in de meeste gevallen prikkelen de titels van de boeken meer dan genoeg. Het opstellen van de literatuurlijst (zie de commentaren hieronder) was een genot op zich.

Heel aangenaam is het evenwicht dat in het boek werd betracht. Burke spreekt zijn talen. De Duitse culturele traditie komt aan bod, die vanaf het einde van de achttiende eeuw voor de cultuurgeschiedenis van groot belang is geweest. De Amerikanen zijn present, die begin twintigste eeuw de Duitse traditie hebben overgenomen en getransformeerd. De Britten, die zich daar hebben tegen verzet. En de Fransen, met een cultuurhistorische traditie (vooral de mensen rond het tijdschrift Annales) die het woord cultuur vermijdt en liever civilization, mentalités collectives en l’imaginaire social gebruikt.

Cultuurgeschiedenis, steekt Burke van wal, kan gezien worden als een reactie op eerdere benaderingen van het verleden die iets buiten beschouwing lieten dat zowel ongrijpbaar als belangrijk was. Vroeger verwees het woord 'cultuur' alleen naar kunsten en wetenschappen. Daarna werd het gebruikt om de populaire vormen en uitingen van kunsten en wetenschappen te omschrijven: volksmuziek, volkstheater, volksgeneeskunde enzovoort. Tegenwoordig omvat de term een zeer breed spectrum aan voorwepen (beeldmateriaal, gereedschappen, huizen enzovoort) en menselijke uitingen (van conversatie tot "gamen" aan toe).

Cultuurhistorici richten zich op "het symbolische" in een samenleving. Ze laten de aloude veronderstelling los dat er sprake is van een onveranderlijke menselijke rationaliteit door de eeuwen heen (bijvoorbeeld dat verkiezingen of consumentenvoorkeuren altijd worden gestuurd door rationele keuzen). Dat uitgangspunt is ingewisseld voor meer aandacht voor de veranderlijke waarden en opvattingen die van belang zijn voor het gedrag van bepaalde groepen op bepaalde plaatsen in bepaalde perioden van de geschiedenis. In de geschiedschrijving kan men een verschuiving waarnemen van een interessse in objectieve kenmerken naar meer aandacht voor de betekenis en beleving van iets.

Een van de meest opvallende kenmerken van de ontwikkeling der cultuurgeschiedenis vanaf 1960 tot nu, is de koerswending naar de antropologie. De invloed van Lévi-Strauss (op zijn beurt beïnvloed door Roman Jakobson) en Clifford Geertz is groot. Cultuur werd langzaam maar zeker opgevat in brede en veelvormige zin: de cultuur van het dagelijkse leven, gewoonten, waarden en levensstijl. Cultuurhistorici onderzoeken de mentaliteit, het gedrag, de gevoelens, en de creaties van mensen (niet alleen de toplaag van de maatschappij) in een bepaald tijdsvak, en nemen zowat alle menselijke uitingen (niet alleen de culturele canon) als bronnenmateriaal. Denk aan Geertz' concept van de thick description: men moet een verschijnsel beschrijven inclusief de context ervan: een actie, ritueel, gedraging of uitdrukking krijgt pas betekenis door de sociale en historische inbedding.

Geschiedenis van de cultuurgeschiedenis
De geschiedenis van de cultuurgeschiedenis wordt door Burke opgedeeld in vier fasen. De eerste was de klassieke fase in de negentiende en begin twintigste eeuw. Impliciet in de werken van Jacob Burckhardt, George Malcolm Young en Johan Huizinga is het streven om een beeld van een tijdperk te schilderen. Cultuurhistorici uit deze periode beperkten zich weliswaar nog tot de klassieke canon van meesterwerken uit de kunst, literatuur, filosofie, natuurwetenschappen enzovoort, maar hadden reeds de bedoeling verbanden te leggen tussen verschillende disciplines (dit in tegenstelling met traditionele kunsthistorici). Ze lazen kunstuitingen als bronnenmateriaal (dit in tegenstelling met aanhangers van de kritisch-filologische methode van Leopold von Ranke). Een Huizinga wilde de karakteristieke gedachten en sentimenten van een tijdperk beschrijven, alsmede de uitdrukking en belichaming daarvan in literatuur en beeldende kunst.

De tweede fase was de fase van de sociale kunstgeschiedenis, die in de jaren dertig van de vorige eeuw begon. Gangmakers waren sociologen als Max Weber en Norbert Elias, en kunsthistoricus Aby Warburg. Zij gingen vaste culturele schema’s en patronen gebruiken bij het interpreteren van menselijk gedrag in heden en verleden. Het is immers onmogelijk om iets zonder gebruik van schema’s waar te nemen of herinneren (zie ook Popper en Gadamer).

De dreiging van het Duitse nationaal-socialisme werkte de verspreiding van deze invalshoek in de hand. De diaspora van de Midden-Europeanen in de jaren dertig was onder meer op het intellectuele leven in de VS en Engeland ingrijpend, waar intellectuele en culturele geschiedenis doorgaans buiten de geschiedenisfaculteiten om werd bedreven. De komst van de exil-wetenschappers opende de ogen voor de relatie tussen cultuur en maatschappij, tussen cultuur en de maatschappelijke omgeving waarin die ontstond.

De derde fase was de ontdekking van de geschiedenis van de volkscultuur in de jaren zestig van de vorige eeuw. Het begrip volkscultuur ontstond op dezelfde plaats en tijd als cultuurgeschiedenis: aan het einde van de achttiende eeuw in Duitsland. In die tijd ontdekten de middenklasse-intellectuelen de lange traditie van volksliedjes, volkssprookjes, volksdansen, volkse rituelen en ambachtskunst. Maar de geschiedschrijving van deze volkscultuur werd vooralsnog aan amateurs, folkloristen en antropologen overgelaten. Pas veel later, zo eind jaren zestig van de vorige eeuw dus, begon een groep universitaire historici (zoals Edward Palmer Thompson) zich serieus te verdiepen in volkscultuur, en werd dit een serieus academisch onderzoeksgebied.

Een belangrijk debat in deze discipline is dat van de volkscultuur versus elitecultuur: wie behoort er tot het volk? Iedereen, of iedereen minus de elite? Hebben mensen met een hoge status, grote rijkdom of aanzienlijke macht niet noodzakelijk een andere cultuur dan gewone mensen?

In de jaren zeventig van de vorige eeuw kwam een nieuw historisch genre op: de “microgeschiedenis” (Italiaans: microstoria), waarin onder invloed van de antropologie brede historische ontwikkelingen in beeld werden gebracht aan de hand van de wederwaardigheden van ogenschijnlijk onbeduidende individuen of gebeurtenissen. Dit was een repliek op een bepaalde stijl van sociale geschiedschrijving, die slaafs het model van de economische geschiedenis volgde, met veel gebruik van kwantitatieve methoden en beschrijvingen van algemene trends, zonder dat er veel aandacht was voor de verscheidenheid of het specifieke van lokale culturen, laat staan voor individuele belevenissen.

De microgeschiedenis was ook een reactie op de groeiende ontevredenheid over het zogeheten grote verhaal van de (eurocentrische) vooruitgang van de menselijke geschiedenis. Dat verhaal liep traditioneel in een vrij rechte lijn omhoog vanaf de opkomst van de moderne westerse beschaving in het oude Griekenland en Rome, via het christendom, de Renaissance, de Reformatie, de wetenschappelijke revolutie, de Verlichting, de Franse Revolutie en Industriële Revolutie tot de moderne tijd. Het besef van al datgene wat eruit gelaten werd of onzichtbaar bleef nam toe.

De vierde fase staat bekend als de nieuwe cultuurgeschiedenis. De term 'new cultural history' raakte eind jaren tachtig in zwang. Thans is ze de onbetwistbare dominante vorm van cultuurgeschiedenis. Het woord 'cultuur' onderscheidt de nieuwe cultuurgeschiedenis van ideeëngeschiedenis, in de zin dat het een nadruk aanduidt op mentaliteitsgeschiedenis, op veronderstellingen en gevoelens dus, meer dan op ideeën of rationele constructies, en het woord dient tevens om nieuwe cultuurgeschiedenis van een andere zusterdiscipline te onderscheiden, de sociaal-economische geschiedenis.

De nieuwe cultuurgeschiedenis staat voor een waaier aan specialisaties. Het debat over de onafhankelijkheidsstrijd in de derde wereld in de jaren zeventig en over die andere emancipatiestrijd, het feminisme, had enerzijds verregaande gevolgen voor de cultuurgeschiedenis, die ineens aandacht moest hebben voor perspectieven die ze tot dan toe had verwaarloosd: het vrouwelijke oogpunt, het niet-westerse oogpunt. In de jaren tachtig en negentig begonnen sommige cultuurhistorici zich dan weer meer en meer te richten op het bestuderen van materiële cultuur (kleding, meubels, voeding, huisvesting…), wat vroeger doorgaans aan economische historici werd overgelaten. Vaak lag daarbij de nadruk op de geschiedenis van de consumptie en de rol van de verbeelding (waarmee de reclamewereld speelt).

Nog andere historici verdiepen zich in de invloed van stereotiepe beelden — de mate waarin een opvatting over de maatschappelijke orde niet alleen een afspiegeling is van de werkelijkheid, maar ook daadwerkelijk het vermogen heeft de werkelijkheid te beïnvloeden ('representatie'). Een vorm van aandacht voor representaties in de nieuwe cultuurgeschiedenis die tegenwoordig een grote bloei doormaakt, is de geschiedenis van de herinnering (sociale, culturele en nationale herinneringen).

Geschiedschrijving in termen van 'praktijken en gebruiken' (practices in het Engels en pratiques in het Frans) is heel populair: cultuurhistorici hebben als onderwerp liever de geschiedenis van religieuze praktijken dan die van theologische doctrines, liever de geschiedenis van feitelijke experimenten dan die van de natuurwetenschappelijke theorieën. Dankzij deze andere houding ten opzichte van de praktijk van alledag, is de geschiedenis van allerlei verschijnselen uit het dagelijks leven geprofessionaliseerd en opgenomen in de geschiedwetenschappelijke hoofdstroom.


Collectie potten, Museum of Northern Arizona, Flagstaff, Arizona. 'Digital photo painting: Gone to look for America', Patrick Alan Swigart. - via Flickr

Theoretische omkadering
Typisch voor de nieuwe cultuurgeschiedenis is de belangstelling voor het theoretische kader: de polyfonie van Bachtin; de dwang tot zelfcontrole van Elias; de controle van anderen over het ‘zelf’, de ruptures, de épistemes, het discours en de praktijken (feitelijke vormen van gedrag) van Foucault; de begrippen veld (champ), culturele reproductie, habitus en onderscheid (distinction) van Bourdieu.

Een theorie die ten grondslag ligt aan een zeer aanzienlijk deel van de nieuwe cultuurgeschiedenis is de visie dat de werkelijkheid een culturele constructie is. De relatie tussen taal en de buitenwereld is immers alles behalve eenduidig. De mens schept via taal zelf de werkelijkheid — een gedachte die we al vinden bij Einstein, Popper, Schopenhauer, Dewey en William James, maar die in de radicale theorieën van Foucault (discours) en Michel de Certeau (pratiques) verder werd uitgewerkt.

De Certeau beschreef consumptie in termen van productie en hij richtte zijn aandacht op de zelfstandige keuzen die individuen maakten tussen de massaproducten in winkels en de vrijheid waarmee ze interpreteerden wat ze lazen of op tv zagen. Hij betoogde dat gewone mensen een selectie maken uit een repertoire dat voor handen is, nieuwe combinaties samenstellen uit wat ze kunnen kiezen, en belangrijker nog, dat ze datgene wat ze kiezen in een nieuwe context plaatsen.

Foucault stond discoursanalyse voor: de linguïstische analyse van teksten die langer zijn dan een paar zinnen, vaak met de bedoeling verborgen connotaties of politieke inhoud te ontdekken. Een duidelijke nawerking van zijn theorieën is de geschiedschrijving van ziekte. De nieuwe cultuurgeschiedenis van het lichaam onderscheidt zich van de traditionelere vormen van de geschiedenis der geneeskunde door de nadruk op de culture constructie van ziekte, in het bijzonder van de diagnose "waanzin".

De theoretisering van de cultuurgeschiedenis hangt natuurlijk samen met de problemen eigen aan het vakdomein. Doorheen zijn boek noemt Peter Burke de voornaamste valkuilen:

- Het wijdse begrip cultuur: we moeten een onderscheid maken tussen de cultuur van verschillende sociale klassen, de cultuur van mannen en vrouwen, en de cultuur van verschillende generaties die in dezelfde maatschappij leven.

- Problemen met bronnen: de aartsvaders van de cultuurgeschiedenis baseerden hun theorieën vaak op een beperkt aantal handgeschreven bronnen; teksten en beelden zijn geen eenduidige spiegels en reflecties van de tijd; hoe herken je propaganda?; welke bronnen uit het verleden kunnen ons dingen vertellen waarvan de getuigen zelf niet wisten dat ze die wisten?

- Cultuurgeschiedenis dreigt snel impressionisch en anekdotisch te worden. Louter beschrijvingen zijn zinloos zonder toetsbare hypothese.

- Emplotment: historici neigen ernaar het verhaal of plot van hun studies gaan modelleren naar literaire genres — de hoofdwerken van Gibbon en Spengler hebben duidelijk een tragisch plot.

- Occasionalisme: dezelfde persoon gedraagt zich bij hetzelfde ritueel anders als de omstandigheden (momenten, plaatsen) of situaties of omstanders anders zijn.

- Het concept performance: in hoeverre zijn woorden op te vatten als handelingen binnen een politieke, sociale en intellectuele context?

- De marxistische kritiek op cultuur: cultuur hangt blijkbaar in de lucht zonder contact met de sociaal-economische basis.

- De kwestie identiteit: in hoeverre wordt identiteit bepaald door sociale scripts, door taal en door representatie?

- Het probleem van de minoriteiten: in welke mate dringt een geschiedenis geschreven door minderheidsgroepen zich op? Is een feministische geschiedenis wenselijk?

- De paradox van de traditie: enerzijds kan een schijnbare vernieuwing de persistentie van de traditie maskeren; anderzijds kan de uiterlijke vorm van een traditie de vernieuwing maskeren. Een traditie moet zich altijd aanpassen om te overleven in de nieuwe tijd. Er is vaak een verschil tussen een grondlegger van een bepaalde theorie en zijn simplifiërende volgelingen.

Toekomst van de cultuurgeschiedenis
Ondanks deze moeilijkheden is Burke duidelijk over de verdiensten van zijn vak. Als cultuurhistorici de afgelopen dertig jaar iets hebben gedaan, dan is het wel dat zij, evenals cultureel antropologen, de zwakke kanten van de positivistische aanpak hebben laten zien, zegt-ie. Historici die zich met kastelen bezighouden, bijvoorbeeld, gaan tegenwoordig de culturele kant op en stappen geleidelijk af van het aloude militair determinisme (waarin de bouw van een kasteel steevast werd verklaard in termen van verdediging). De klemtoon ligt nu meer op het belang van vertoon van macht, rijkdom en gastvrijheid, kortom op het kasteel als theater. Het vak geschiedenis is ruimer geworden, meer interdisciplinair. Er bestaan geen triviale studieobjecten meer voor historici.

De toekomst van de cultuurgeschiedenis kan volgens Burke alle kanten op. Een herontdekking van de traditionele cultuurgeschiedenis (de geschiedenis van de hoge cultuur, van de klassieke traditie) behoort tot de mogelijkheden. Daarnaast zullen de onderzoeksgebieden van de nieuwe cultuurgeschiedenis mogelijk nog meer uitbreiden: de geschiedenis van de emoties, van de zintuigen... Mét gevaar voor fragmentatie, en historici die nalaten nog grote zinvolle verbanden te leggen. Voorts is een 'wraak van de sociaal-economische geschiedenis' niet uit te sluiten: een reactie op het loslaten van de wetenschappelijk controleerbare standaarden. Niettemin:

Als er één reden is waarom cultuurgeschiedenis niet snel zal verdwijnen, ondanks alle kritiek die mogelijk is op haar methoden en definities, dan is dat wel het belang van culturele ontmoetingen in onze tijd. De toenemende culturele interactie in een globaliserende wereld en in samenlevingen met talrijke minderheden, zorgt er onmiskenbaar voor dat we dit soort ontwikkelingen in het verleden ook steeds beter willen begrijpen.
Het begin van onze eeuw, zegt Burke, lijkt een periode van erkenning, inventarisering van de oogst en consolidatie van de verworvenheden van de cultuurgeschiedenis uit de laatste paar decennia. Dit boek past in die periode.

(Deze samenvatting bestaat voor het leeuwendeel uit zinnetjes letterlijk overgenomen uit het boek.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> zeer uitgebreide bibliografie in de commentaren hieronder

Peter Burke, Wat is cultuurgeschiedenis?
207 p.
Uitgeverij Bijleveld, 2007
Oorspr. What is cultural history? (2004)
Vertaald door Alwin van Ee en Bastiaan Bommeljé

____

maandag 7 december 2009

Female chauvinist pigs - Ariel Levy

Ik ben een provinciaal in het diepst van mijn gedachten. Dat betekent dat ik er een cyclisch wereldbeeld op nahoud, in plaats van een lineair. Alles komt terug, en behalve de vier seizoenen valt er niet veel verandering te noteren. Dat maakt me redelijk blind voor trends — of beter: voor het belang van trends. Ook de oprukkende bimbocultuur was ik geneigd te zien als een nieuwe variant op universele karaktertrekken als domheid, gedweeheid en behaagzucht.

Want je kan nog zo vaak afgeven op ons, perfide mannen die vrouwen sociaal-economisch uitbuiten, je hebt wel steeds vrouwen nodig die in dat spelletje willen meegaan. Daarom was ik nogal geporteerd voor dit boek van Ariel Levy — feministe, lesbiënne, staffwriter bij The New Yorker — dat de schuld duidelijk in eigen rangen zoekt.

Dit is geen stand van zaken die vrouwen opgedrongen is. Dankzij de vrouwenbeweging hebben vrouwen van nu heel andere mogelijkheden en verwachtingen dan onze moeders vroeger. In ons privé-leven genieten we een zwaarbevochten (en nog steeds niet vanzelfsprekende) vrijheid. Op de arbeidsmarkt dringen we geleidelijk door in de hoogste functies. We kunnen studeren en sporten en minster van Buitenlandse Zaken worden. Maar als je zo om je heen kijkt, zou je denken dat we eigenlijk niets liever doen dan onze kleren uittrekken en met onze billen schudden.
Een of andere versie van de sexy, schaars geklede verleidster is er altijd wel geweest, en ook de behoefte aan ranzigheid is zo oud als de wereld. Maar vroeger was het een met schuld beladen pleziertje in de marge — in de bijna geheel mannelijke marge bovendien. Wil een trend doordringen in de politiek, de muziekindustrie, de kunst, de mode, de algemene smaak, zoals de bimbocultuur gedaan heeft, dan moet die trend door en door mainstream zijn, en de mainstream is voor de helft vrouw. Zowel mannen als vrouwen lijken een voorkeur ontwikkeld te hebben voor de kitscherige, hoerige stereotypen van de vrouwelijke seksualiteit uit nog niet helemaal vervlogen tijden. We staan er niet eens meer bij stil; we vinden het heel gewoon dat we overal halfnaakte, kronkelende en kreunende vrouwen tegenkomen.
Female chauvinist pigs is goeddeels een beschrijvend boek. Levy kijkt televisie, bezoekt feestjes, leest boeken en registreert wat ze ziet. Dat ze haar indrukken in woorden vangt werkt hier prima: het is goed om bepaalde sjabloonmatige beelden waar we nauwelijks nog van opkijken te transcriberen. Netjes uit te schrijven wat we eigenlijk zien.

Levy's opsomming oogt indrukwekkend. Sletterigheid is overal, zij het in de Verenigde Staten nog meer dan in West-Europa. Denk aan de "langbenige misdaadbestrijding" in Charlie’s angels. De softporno van Maxim, FHM en Stuff. Videoclips waar nauwelijks nog oude of mollige mevrouwen in meespelen. Mainstream Amerikaanse sportvrouwen die voor Playboy poseren. Babes die op televisie in minuscule pakjes trampoline springen. Serieuze dames in truitjes met gouden Playboy-bunny-opdruk. Realityshows met het haremthema (The bachelor, Outback Jack...). Gore Vidal en Salman Rushdie die ernstige teksten schrijven bij een boek met foto's van pornoactrices. Girls Gone Wild van Joe Francis ('spannend voor mannen, bevrijdend voor vrouwen’). De radioshows van Howard Stern. De autobiografieën van Paris Hilton, Traci Lords en Jenna Jameson die bestsellers worden. De aandacht in kwaliteitskranten voor de bijna-naaktshows van Victoria's Secret. Series als Sex and the city, waar snel wisselende seksuele contacten en consumptiegedrag worden gezien als een daad van onafhankelijkheid van welvarende stadsbewoonsters. Borstvergrotingen. Navelpiercings. Rokjes die zo kort zijn dat ze meer op een riem lijken. En strings natuurlijk — nota bene een bijproduct van de seksindustrie.
In 1939 stond de New Yorkse burgemeester Fiorello La Guadia erop dat de exotische danseressen van de stad gedurende de Wereldtentoonstelling hun genitaliën bedekten, en de string werd in het leven geroepen om aan zijn eis gehoor te geven én tegelijkertijd nog zoveel mogelijk te laten zien. Nu is de string de favoriete onderbroek voor (pre)pubermeiden.
Levy toont aan wat ik voorheen niet zo scherp zag: dat de bimbocultuur door onze hele cultuur is geweven: in de haute couture, sport, politiek, popmuziek. Sexappeal is tegenwoordig een kardinale deugd. Topmodellen zijn het establishment geworden, babes (erotische popjes gecreeërd door de media) het voornaamste richtsnoer voor vrouwen. Het woord 'sexy' kleven we op alles wat aantrekkelijk is en nemen we in de mond wanneer we 'hip' of gewoon 'goed' bedoelen.

Een 'sterke', geëmancipeerde vrouw is inmiddels geruisloos geherdefinieerd als een vrouw die haar seksualiteit openlijk uitdraagt. En omdat het enige teken van seksualiteit dat we herkennen een directe verwijzing naar rosse entertainment is, schrijft Levy met enige overdrijving, zien we de ranzige esthetiek van een toplessbar of een naaktfotoreportage overal. Gelijk heeft ze: ik heb hier al eerder gewezen op de alsmaar goedkoper wordende covers van wat voorheen een lijfblad was.

De typische uitdraagsters van deze cultuur noemt Levy 'female chauvinist pigs'. Een FCP is post-feministisch. Ze heeft humor. Ze snapt waar het leven om draait. Ze heeft niets tegen cartooneske stereotypen van vrouwelijke seksualiteit en ze heeft niets tegen een cartooneske macho-reactie op die stereotypen. Female chauvinist pigs willen net zijn zoals mannen. Ze zijn tevens de slaaf van een paradox: ze hebben een hekel aan vrouwen die veel aandacht besteden aan hun uiterlijk ("gemaakte tutjes"), maar stellen wel vast dat de mannelijke aandacht wel uitgaat naar dat soort "meisjesmeisjes".

Het rare is dat zelfs vrouwen die de beste zijn op hun terrein, het nodig vinden om hun behoefte aan aandacht te etaleren. Loophole women, carrièrevrouwen die door de mazen van het net zijn geglipt, de uitzonderingen in een door mannen gedomineerde wereld, moeten om hun positie te behouden extra zelfverzekerd zijn, agressief en overtuigd van hun kunnen. "Ze moet alles kunnen wat Fred Astaire kan, met haar ogen dicht en op naaldhakken." En, stelt Ariel Levy verbaasd vast, ze doen dat zonder veel morren. Playboy, om maar iets te noemen, is een bedrijf dat grotendeels door vrouwen wordt gerund. Exemplarisch is ook de houding van Sheila Nevins, veteraan van de Amerikaanse televisiezender HBO:
‘Waarom is het nog steeds zo dat vrouwe vitten op vrouwen die hun kleren uittrekken, en niet op alle misstanden op de arbeidsmarkt? Ik snap dat niet! Alsof het weerzinwekkend en vernederend is als je als vrouw uit de kleren gaat. Je kinderen niet te eten kunnen geven, dát is weerzinwekkend en vernederend! (…) We moeten allemaal ploeteren om te bereiken wat we willen. Hun lichaam is hun instrument en als ik zo’n lichaam had, dan bespeelde ik het als een Stradivarius! Die vrouwen zijn mooi en mannen zijn domkoppen!’
Een ander voorbeeld van 'tommen' (je conformeren aan het verwrongen beeld dat iemand anders die machtiger is dan jij heeft van de groep waartoe je behoort) is Camille Paglia. De Amerikaanse essayiste die houdt van rock en football, fan is van Madonna, en een hekel heeft aan zwakheid, bedeesdheid en ruggengraatloosheid.


Promomeisjes voor Bimbo, een Mexicaans voedselbedrijf - via Threedonia.com

'Sterke' vrouwen
Wat heeft voor deze omslag gezorgd? Female chauvinist pigs beantwoordt die vraag niet al te ferm en schoot op dat punt een beetje te kort. Is het omdat vrouwen zich tegenwoordig geen zorgen hoeven te maken over seksisme of vrouwenhaat, en van de weeromstuit aan een inhaalslag bezig zijn op het van oudsher mannelijke terrein van het seksuele opportunisme? Werd het tijd dat vrouwen zich in het feestgedruis van de populaire cultuur stortten, waar mannen zich tenslotte altijd al kostelijk hadden geamuseerd?

Ariel Levy graaft in de geschiedenis van het Amerikaanse feminisme, met uiteenlopende figuren als Susan Brownmiller, Betty Friedan, Anne Koedt, Gloria Steinem, Kate Millet, Catherine MacKinnon, Andrea Dworkin, Flo Kennedy, Candida Royalle, Jennifer Baumgardner en Amy Richards. In iets meer dan een decennium gebeurde er een groot aantal zaken die het leven van Amerikaanse vrouwen voorgoed zou veranderen.
In 1960 werd de anticonceptiepil op de markt gebracht. In 1963 nam het Congres de Equal Pay Act aan, een wet die bepaalde dat mannen voor hetzelfde werk niet langer meer betaald mochten krijgen dan vrouwen. De Civil Rights Act van 1964 verbood discriminatie op grond van ras, sekse en godsdienst, en verbood bedrijven onder andere om bepaalde banen voor mannen of vrouwen te reserveren en zwangere vrouwen te ontslaan. In 1966 werd de National Organization for Women opgericht, in 1969 de National Organization for the Repeal of Abortian Laws (NARAL, inmiddels omgedoopt in National Abortion Rights Action League). De eerste druk van de feministische klassieker Je lichaam, je leven verscheen in 1970 en werd hét voorlichtingsboek voor feministen en andere progressievelingen. De richtinggevende bloemlezing Sisterhood is Powerfool , onder redactie van de feministische dichteres Robin Morgan, verscheen in datzelfde jaar. In 1972 bekrachtigde het Hooggerechtshof met zijn uitspraak in de zaak Eistenstadt versus Baird het recht van ongetrouwde mensen op anticonceptie en werd het Equal Rights Amendment door beide huizen van het Congres aangenomen. (Ratificatie van het ERA, een amendement op de grondwet dat de rechtsgelijkheid tussen mannen en vrouwen moest regelen, werd tien jaar later door drie staten tegengehouden.) uiteindelijk, in 1973, was er ‘Roe versus Wade’.
Veel van deze gebeurtenissen werden beschouwd als overwinningen voor twee revolutionaire bewegingen, die allebei een enorme invloed hadden op het leven van Amerikaanse vrouwen: het feminisme en de seksuele revolutie. Voor een belangrijk deel overlapten deze bewegingen elkaar.

Voor de hardliners uit de jaren zeventig betekende emancipatie echter meer dan een simpel streven naar gelijkheid. De National Organization for Women (NOW) van Betty Friedan, die de nadruk legde op verandering door middel van wetgeving liet de radicalen koud. Wat Susan Brownmiller en haar radicale zusters eigenlijk wilden was de omvorming van alle aspecten van de maatschappij — politiek, het zakenleven, opvoeding, seks, liefde, huishoudelijk werk, amusement, wetenschap. En ze geloofden echt dat ze het voor elkaar zouden krijgen.

Deze radicalisering van het feminisme kwam er na ervaringen met de burgerrechtenbeweging, waar vrouwen, net als in de vredesbeweging en de studentenbeweging al bij al een ondergeschikte rol speelden, en na de vaststelling dat de gelijkheid van vrouwen in de praktijk niet de gewenste vorm aannam. "Mannen zochten hen op, wierven hen aan, namen hen serieus, prezen hun intelligentie — en degradeerden hen vervolgens langzaam maar zeker tot vriendin, echtgenote, notuliste, koffiejuffrouw."

Een van de eerste kerndoelen van het feminisme was de bevordering van seksueel genot voor vrouwen. Denk aan het werk van Shere Hite, die opwierp dat de vrouwelijke seksualiteit altijd was gezien als reactie op mannelijke seksualiteit en de geslachtsdaad. De vrouwelijke seksualiteit werd een zaak die ironisch genoeg vooruit leek te worden geholpen met geld van Hugh Hefner, die de legalisering van de anticonceptiepil steunde. Alleen had Hefner en Playboy alleen de afkeer voor conventionele gezinsvormen en repressieve weten gemeen. Als puntje bij paaltje kwam hield Playboy van onschuldige, lieve meisjes, die zich niet verlaagden tot promiscuïteit. Gelijkwaardigheid was het laatste van Hefners zorgen.

Het feminisme, van zijn kant, kwam in het verweer tegen de seksuele uitbuiting van de vrouw. Aan het eind van de jaren zeventig richtte een groep prominente feministen, onder wie Brownmiller, Gloria Steinem, Shere Hite, Robin Morgan, de dichteres Adrienne Rich en de schrijfsters Grace Paley en Audre Lorde, de aandacht op de bestrijding van pornografie. Verkrachting werd door hen niet langer gezien als alleenstaande misdadige handeling, maar een systematisch proces van demoralisatie.

En zo ontstond er een schisma binnen de vrouwenrechtenbeweging. Een factie die de repressie door de man aanklaagde, maar ook een factie die opkwam tegen de repressie in de eigen gelederen. Een van de belangrijkste dingen die nogal wat vrouwen aan het feminisme te danken hadden, was een veel betere band met het eigen lichaam. Daarom betekende het voor hen een teleurstelling toen de vrouwenbeweging een richting insloeg die voelde als anti seks. Lesbische liefde werd verheerlijkt en veel heteroseksuele vrouwen kregen van de weeromstuit het gevoel dat ze zich niet aan de partijlijn hielden, alsof ze met de vijand in bed doken.

Veel conflicten tussen de vrouwenbeweging en de seksuele revolutie en binnen de vrouwenbeweging zelf zijn dertig jaar geleden onopgelost gebleven. Wat we nu zien, stelt Levy, is de neerslag van die verwarring. Voor een deel is "de huidige ranzigheid" een vorm van rebellie tegen de voorgaande generatie. Bovendien kan deze generatie het zich veroorloven om minder militant te zijn.
Toen feminisme nog leuk was, was emancipatie een avontuur, met acties en geweldloze coups en overwinningsfeesten voor de heldinnen. De vrouwenbeweging kwam met revolutionaire ideeën die zo totaal zijn ingeburgerd dat ze nu vanzelfsprekend lijken. Dat vrouwen niet per se moeder of (zelfs) iemands vrouw hoeven te zijn. Dat vrouwen recht hebben op dezelfde bescherming door de staat als mannen. Dat vrouwen toegang horen te krijgen tot de beste scholen (Princeton en Yale begonnen pas in 1969 vrouwen toe te laten; Harvard werkte al sinds 1943 samen met de vrouwen van Radcliffe, maar werd pas in 1972 volledig gemengd; Columbia liet tot 1983 alleen mannelijke bachelorstudenten toe). Dat vrouwen op de arbeidsmarkt niet gediscrimineerd mogen worden. Dat er zoiets bestaat als een clitoris.
In de late jaren zestig en de jaren zeventig voelden ook vrouwen die geen direct contact met de beweging hadden op een of andere manier het effect van het feministische activisme. Gewone vrouwen die niet naar Mother Courage gingen om feest te vieren na de uitspraak in ‘Roe’ en niet het Vrijheidsbeeld bestormden, zagen deze gebeurtenissen wel op televisie of lazen erover in de krant. De vrouwenbeweging was een mediasensatie, een revolutie vanuit de basis, met verstrekkende gevolgen. Op het hoogtepunt waren er in elke grotere stad in de Verenigde Staten vrouwengroepen die de boodschap onder de massa verspreidden.
Het feminisme schonk gewone vrouwen niet alleen bepaalde vrijheden, het had ook invloed op hun woordkeus en hun kleding — op hun smaak zowel als hun bewustzijn. Zoals Brownmiller in In our time schrijft: “zelfs de feministische look” — de vrolijke onverschilligheid jegens make-up en beha’s en een voorkeur voor spijkerbroeken en lang, loshangend haar die de Amerikaanse burgerij zo voor het hoofd stootte — werd door modebewuste jongeren overgenomen als een sexy statement.’ Behalve noodzakelijk en revolutionair was het feminisme ook cool.
De afgelopen jaren is de term ‘feminisme’ steeds meer uit de gratie geraakt. In 2001 bleek uit een enquête dat nog maar vijfentwintig procent van de vrouwen zichzelf feministe noemde, één procent minder dan in 1999.
Tegelijk zijn sommige door de vrouwenbeweging geïntroduceerde concepten en woordkeuzes nog steeds in zwang: nog steeds worden vrouwen door de modewereld, de media en elkaar aangemoedigd om ‘sterke vrouwen’ te zijn. Maar waar deze populaire kreten vroeger verwezen naar het op z'n kop zetten van het systeem, zijn deze nu perfect gerecupereerd door de media en de reclame-industrie. Een ouderwets gebruik van vrouwen als lustobject gaat voor ruimdenkend door. Xena en Buffy zijn de nieuwe feministes.

De bimbocultuur is natuurlijk niet progressief, ze is in wezen commercieel. Meer dan ooit worden vrouwen dag in dag uit gedwongen met elkaar te concurreren om de goedkeuring van mannen, tot slaaf gemaakt van bespottelijke schoonheidsnormen, en vrouwen worden geconditioneerd om die zelf serieus te nemen en te accepteren.

Een ander deel van het probleem, maar dan bij nog jongere meisjes, is volgens Ariel Levy de onervaren omgang met de eigen seksualiteit. Pubermeisjes herkennen dikwijls hun eigen begeerte niet. Onderzoek heeft uitgewezen dat seksueel verlangen het seksuele gedrag van meisjes nauwelijks bepaalt. Seksualiteit wordt gebruikt als instrument om sociaal aanzien te verwerven. Seksueel uitdagend gedrag is: aandacht krijgen, leuk gevonden worden, toegeven aan groepsdruk.
De populairste uitlaatklep voor adolescente vrouwelijke energie lijkt tegenwoordig de uiting van denkbeeldige wellust in gebaar, houding en kleding. Natuurlijk hebben tienermeiden altijd al menig uurtje met gezichtsmaskers op elkaars nagels zitten lakken; de jaren waarin de puberteit zijn transformerende greep op lichaam en geest heeft, zijn de jaren waarin jongeren worstelen en experimenteren met hun pas ontdekte seksuele mogelijkheden. Maar nu is er een specifieke, vastomlijnde boodschap die meisjes moet afgeven, nog voor ze zelf de betekenis ervan begrijpen.
Seks in termen van gevoel of persoonlijke betekenis wordt naar de achtergrond verdrongen. En als een meisje niet weet wat haar gevoelens zijn, schrijft Levy, als ze het bewuste, psychische deel van zichzelf loskoppelt van wat er in haar lichaam gebeurt, dat wordt ze heel bevattelijk voor de macht van andermans gevoelens. Het breekt hen aan een ideologisch fundament.
Tienermeisjes hebben alleen het hier en nu. Zij hebben nooit meegemaakt dat ‘sletje’ geen alom geaccepteerde term was, dat zestienjarige meisjes niet in aanmerking kwamen voor borstvergroting, dat pornosterren niet boven aan de bestsellerlijsten stonden, dat paaldansers niet tot de mainstream behoorden. (…) De bimbocultuur mag voor volwassen vrouwen een manier zijn om zich tegen de verkramptheid van het feminisme te verzetten, voor jonge meisjes geldt dat niet. Zij hebben nooit een feminisme gehad om zich tegen te verzetten.
Oplossingen rijkt dit boek niet aan. Tenzij bewustwording van het probleem bij een zo groot mogelijk aantal vrouwen. Van mannen is weinig heil te verwachten. Sex sells. Verandering kan je sowieso niet opleggen van bovenaf. Verandering moet groeien van binnenuit. Alternatieve rolmodellen moeten zich aandienen. Ariel Levy, die in tegenstelling tot wat deze samenvatting kan doen uitschijnen geen preuts meissie is, is zo'n rolmodel.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder

Ariel Levy, Female chauvinist pigs : de opkomst van de bimbocultuur
221 p.
Uitgeverij Meulenhoff, 2007
Oorspr. Female chauvinist pigs

Women and the rise of raunch culture (2005)
Vertaald door Esther Ottens

____

zondag 6 december 2009

Obit

"Obit examines life through the lens of death. Whether it’s the loss of a person, a place, an object or an idea, life’s constant change presents an opportunity for examination, discussion and even celebration."

> http://www.obit-mag.com/

____

O'Reilly Radar

"Insight, analysis, and research about emerging technologies."

> http://radar.oreilly.com/

____

Addictive Books

"As a non-native speaker of English, I chose the first few thrillers just to improve my English comprehension. But soon I became hooked and today, 40 years later, I have devoured many hundreds of crime novels. They helped me to survive dreadful hotel rooms and endless transatlantic flights. What you will find on this web site is a collection of books I find interesting. Some of them are great literature, others just fast page turners."

> http://www.addictivebooks.com/

____

2leep.com

"Connecting bloggers."

> http://2leep.com

____

Warren Ellis

"Warren Ellis is an award-winning creator of graphic novels."

> http://www.warrenellis.com/

____

vrijdag 4 december 2009

Ararat - Frank Westerman

Als Sovjet-correspondent reisde Frank Westerman in 1999 naar Armenië. Daar groeide de wens om de Ararat te beklimmen, de berg waar volgens de bijbel Noah is gestrand met zijn ark. Die beklimming zou een mooi alibi vormen om te mediteren over hoe de godsdienstigheid uit zijn leven was weggesijpeld. Ararat is alleen niet het spannende verhaal van een man met een ijsbijl, snow-goggles en headlight. Het is een literatuuronderzoek. Gelukkig biedt de Ararat zelf voldoende conflictstof.

Frank Westerman is een van de vertegenwoordigers van de 'literaire' non-fictie in Nederland. Dat genre brengt met zich mee dat de schrijver, in tegenstelling met de expert die achteraf de zaken vanuit vogelperspectief bekijkt, zich onbevangen in een avontuur stort en zijn onderzoeksmethode stap voor stap expliciteert. De schrijver gaat deel uitmaken van zijn onderwerp, of beter gezegd: de relatie van de schrijver met een gegeven is mede onderwerp van het boek.

In Ararat overdrijft Westerman een beetje. Het boek is honderd pagina's te dik. Zeker in de eerste vijftig bladzijden past hij alle schrijverstrucjes toe en klopt hij schuim van een minimum aan vertelstof. Dat is vergeeflijk, Westerman is een prima schrijver, maar ook de rest van het boek kampt met langdradigheid. Ararat bevat nauwelijks drama in real time, of het zou alle gedoe met Turkse visumaanvragen moeten zijn. Wat interessant is hebben andere schrijvers lang voor Westerman al opgetekend. Maar hij is wel een keurig samensteller.

Westerman schrijft over de Ararat zoals een tekenaar bloemblaadjes tekent aan een vruchtbeginsel. Komen aan bod: de geloofstwijfel in zijn jeugd (deels ingegeven door de leerkrachten exacte vakken), zijn vraaggrage dochtertje Vera, de voorbereidingen op de Waddeneilanden, de bijbelse verhalen over de ark, de geologische samenstelling van de berg, de Ararat als politieke twistappel en de romans van Orhan Pamuk (in het bijzonder Sneeuw) als introductie in de werkelijkheid van Anatolië. Ararat doet goed zijn best om een levendige, bijelkaargeharkte indruk te maken, maar Westerman weet drommels goed waar hij naartoe wil.

De omgekeerde Job
Het spanningsveld tussen de Bijbel en de natuurwetenschappen, en de pogingen van theologen, geologen en archeologen om die dichter bij elkaar te brengen, is welbeschouwd het meest interessante aspect aan het boek. Maar daar had ik Salomon Kroonenberg, die Westerman graag opvoert, zelf al over gelezen. De slotsom is bekend: de mens is nietig, een klein radertje in het geheel, een vrijwel te verwaarlozen factor. Er is geen God en geen plot.

Dus ging mijn aandacht uit naar de evolutie van Westermans gelooftwijfel. Eerst het joch opgegroeid in een protestants dorp ergens in Drenthe, dan de landbouwingenieur die de Schrift alleen nog als literatuur beschouwt, en tot slot de schrijver-journalist die uitvoeriger over zijn midlifecrisis nadenkt dan iemand die geen boek op stapel heeft staan.

Het moet gezegd. Westermans state of mind komt me bekend voor. Grootgebracht met de bijbel, gelukte het hem niet om zijn verstand daaraan ondergeschikt te maken. Echt streng in de leer was zijn omgeving per slot van rekening ook niet meer. Leerkrachten van abstracte vakken hadden zelfs een hand in zijn geloofsafval, en disputen gingen toen al niet meer over geloofskwesties.

De school die mijn zus en ik hadden doorlopen, de Christelijke Scholengemeenschap voor Assen en omstreken, stond bekend als bijbel- en beginselvast. Toch werd er niet moeilijk gedaan over de evolutie of de oorsprong van het heelal. Darwin heerste bij biologie, en bij natuurkunde werd de oerknal gepresenteerd als het feitelijke ‘In den beginne’. Zulke theorieën werden alleen wel omschreven als ‘verklaringsmodellen’ die niet per se sluitend of zaligmakend waren.
De enige godsdienstige twist die op het scherp van de snede werd uitgevochten, was een morele uitlegkwestie over de wapenwedloop: of je je daar als christen tegen moest verzetten, of juist niet. Het was de tijd, begin jaren tachtig, dat de Amerikanen kruisraketten in Nederland wilden plaatsen als tegengewicht voor de Russische SS-20’s. De ouderlingen in de kerk en de leraren op school waren verdeeld in twee kampen die zich beide beriepen op het Nieuwe Testament. De tegenstanders haalden de Bergrede van Jezus aan (‘Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Oog om oog, tand om tand. Maar ik zeg u, de boze niet te weerstaan, doch wie u een slag geeft op de rechterwang, keer hem ook de andere toe’), terwijl de voorstanders Paulus’ brief aan de Romeinen citeerden (‘De overheid… staat in dienst van God… zij draagt het zwaard niet tevergeefs’).
De bijna-verdrinkingsdood uit zijn jeugd, en het boorongeluk van zijn vader (als gesteentekenner verbonden aan de Nederlandse Aardolie Maatschappij) maakten niettemin indruk op de jonge Westerman — nog niet helemaal los van de Adventskerk in Assen-over-het-spoor. Ze vormen de persoonlijke pendant van de thema's die verderop in Ararat aan bod komen: de zondvloed en het verhaal dat stenen vertellen. Waren deze ongelukken werkelijk een waarschuwing tegen de menselijke arrogantie en de hoogmoed van de wetenschap?
Lijden móést kennelijk zin hebben — anders was het leven ondraaglijk — en de absolute voorwaarde daartoe was het bestaan van de Zingever. Ik meende een patroon te herkennen: wie lange tijd vaste grond onder zijn voeten had, begon in zichzelf te geloven, in de mens, maar wie de bodem onder zijn bestaan zag wegzinken, ging subiet weer in God geloven.
Wanneer hij zijn oudleraar Salomon ('Salle') Kroonenberg raadpleegt, op zoek naar de geologische specificaties van de Ararat, laat deze hem De menselijke maat in manuscriptvorm lezen. In wat de wetenschapper schrijft over de aartsvaders van de geologie, hun worsteling met de Schrift, daar herkent Westerman zich in. Tegelijk vraagt hij zich af of hij zelf nog, geconfronteerd met het noodlot misschien, een hogere macht zou aanroepen. Hij moet toegeven dat hij dat niet zeker weet. Maar hij wil het wel weten. De beklimming van de Ararat, een monumentaal, tastbaar relict van een oerverhaal uit Genesis, gelegen in Turkije niet ver van de grens met Armenië, is de geknipte manier om dat uit te zoeken.
Ik wist dat ik op mijn omtrekkende beweging naar de Ararat niet alleen op zoek was naar kennis. In een van mijn aantekenboekjes had ik opgeschreven dat ik een soort experiment wilde aangaan als ‘de omgekeerde Job’. De vrome, welingestelde Job uit de Bijbel was de proefpersoon van een weddenschap tussen God en Satan. Die laatste mocht hem bezoeken met tegenslag, berooiing, de vreselijke huidaandoeningen (op het laatst zat hij zijn zweren te krabben met een potscherf), gewoon om te kijken of hij God op een dag zou gaan vervloeken of niet. En wat was ik van plan? Mijn eigen standvastigheid als niet-gelovige op de proef stellen. Ik wilde plekken en situaties opzoeken als deze, om te kijken of het geloof me zou raken of niet.

[...]

Ik was geen ongelovige die in zijn veertigste levensjaar een heilige berg beklom om na te gaan of er niet toch iets waars of waardevols in het geloof van zijn jeugd stak. Het lag anders: het bedwingen van de Ararat was een proef die ik was aangegaan om erachter te komen of ik me van die erfenis kon losmaken. En of ik dat wel wilde. Ik was geneigd te geloven in kennis en wetenschap — die zaken bestonden echt. Achter het voorhangsel van de tabernakel zat niets en bij de sneeuwgrens van de Ararat stonden geen engelen met lichtende zwaarden. Met mijn gang naar de top zou ik me ervan vergewissen dat ik, als het erop aankwam, op de ratio vertrouwde; ik zou niet struikelen over een stuk arkhout.
Off limits
De Ararat (Ağrı Dağı in het Turks, Masis in het Armeens, al-Ǧūdī in de Koran) is een van die bijbelplaatsen die je in het echt kan bezoeken. ‘En in de zevende maand, op de zeventiende dag der maand, bleef de ark vastzitten op het gebergte van Ararat’, zo staat het in Genesis 8:4. Met zijn 5165 meter — als Turkije tot de EU toetreedt meteen de hoogste berg van Europa — en onherbergzame ijsvlaktes had de Ararat lange tijd de naam onbedwingbaar te zijn. Het was zelfs een officieel leerstuk van de Armeense kerk: de hellingen boven de sneeuwgrens werden 'bewaakt door engelen met lichtgevende zwaarden en waren voor stervelingen onbegaanbaar'.

Vreemd in dat verband is de aardbeving van 1840, waarbij de monniken van het Sint-Hagobsklooster en de inwoners van het plaatsje Arguri bedolven werden. Westerman: "Uitgerekend de plek waar Noachs offeraltaar zou hebben gestaan, was met een geweldige en onverschillige natuurkracht weggevaagd, toegewijde monniken incluis. Welke theoloog legde het uit?"

Noach is overigens geen exclusief Bijbelse figuur: behalve in de Koran komt hij voor in de joodse traditie, en ook buiten de drie grote monotheïstische godsdiensten. De plaats waar de ark volgens de heilige boeken is gestrand, is dan ook verre van eenduidig.
al-Ǧūdī was Arabisch voor ‘de hoogten’ en zou daarom op alle bergen kunnen slaan, inclusief de Ararat. Genesis sprak dan weliswaar van ‘het gebergte van Ararat’, maar het woord Ararat was een verbastering van Urartu, Assyrisch voor Armenië, dat zich in de oudheid uitstrekte tot in het zuid-oosten van het huidige Turkije.
Korangeleerden wezen Oost-Turkije aan als de meest waarschijnlijke plaats waar de profeet Nuh met zijn ark aan de grond was gelopen. Moslims in Irak, Iran en Saoedi-Arabië kenden allemaal wel een plaatselijke berg die al-Ǧūdī heette, maar Oost-Turkije, dat erkenden soennieten zowel als sjiieten, had de beste papieren met in het noorden de Ararat en in het zuiden de berg Cudi (de Turkse schrijfwijze van het Arabische Gudi, uit te spreken als Dzjoedi.
De Turkse autoriteiten zaten verveeld met deze gevoelige locaties. Net als de Ararat lag ook de met kreupelhout begroeide Cudi op een strategische plek: bij het drielandenpunt van Turkije, Syrië en Irak. De Turkse overheid kwam met een oplossing: een luchtmachtkolonel had in 1950 voor het eerst een bootvormig landschapsreliëf gezien, op een heuvel niet ver van de Ağrı Dağı. Halverwege de jaren negentig werd deze keileemformatie door de Turkse autoriteiten gretig als ‘de fossiele afdruk van de ark’ genoemd. Er kwam een bezoekerscentrum (lees: toeristenfuik) en klaar was kees.

Uit Ararat leer ik dat de protestantse traditie, die de Schrift als het onfeilbare Woord van God boven alles had gesteld, de wetenschap vooruit heeft geholpen. Anders dan de katholieken zagen Luther en Calvijn de natuur niet langer als een manifestatie van Gods almacht, waarin Hij zich aan de mens openbaart (dat deed Hij alleen via het Woord). De protestantse onderzoeker kon dus de natuur zonder heilig ontzag tegemoet treden als onderwerp van studie en ontleding.

De eerste die de berg zou hebben beklommen is Friederich Parrot, een Duitser in dienst van de tsaar, de zogenaamde uitvinder van het wetenschappelijke bergbeklimmen. Parrot keek trouwens niet op of om naar houtresten van Noahs ark. Het leek hem aannemelijk dat het scheepswrak ‘als een Siberische mammoet’ in de gletsjer was geconserveerd. Wel vond hij naar eigen zeggen sporen van terugtrekkend water, 'de fysische bewijzen van de juistheid van het vloedverhaal'. Westerman werkt op een bepaald moment met een splitscreen: de obstakels die hij moet overwinnen richting Ararat versus de omstreden poging van Parrot.

Dat was in de negentiende eeuw, en nog een stuk of wat expedities zouden volgen. Het grootste deel van de twintigste eeuw was de Ararat echter verboden terrein. De berg lag toen wisselend binnen Russische, Turkse en Perzische imperiumgrenzen én op de breuklijn van christendom en islam. En na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ging het zoals bekend helemaal mis:
Turkije, dat een alliantie met Duitsland was aangegaan, werd in de rug aangevallen door het Rusland van de tsaar. De christelijke Armenen, onderdrukt door de islamitische landheren, zagen de orthodox-christelijke Russen als verlosser en sloten zich deels bij hen aan. In de ogen van de Turkse driemanschap [Enver, Talaat en Djamal] was de Armeense bevolking een vijfde colonne. Op 24 april 1915 lieten de militaire leiders zo’n achthonderd vooraanstaande Armenen ophangen op pleinen in Istanbul, op beschuldiging van het heulen met de vijand. Talaat Pasja, de minister van Binnenlandse Zaken, beval tegelijk ook de deportatie van alle Armenen uit eigen land. Het was in de zomer van 1915, tijdens gedwongen voetmarsen naar dump- en sterfplaatsen in de woestijnen van Syrië en Irak, onder ‘begeleiding’ van Koerdische roversbenden en onderbetaalde soldaten, dat honderdduizenden Armenen (of meer dan een miljoen?) stierven van honger, uitdroging en wanhoop.
De pas opgerichte Volkerenbond had willen ingrijpen, maar voor er actie was ondernomen, had de Sovjet-Unie het huidige Armeense grondgebied in 1920 ingelijfd, net zonder de Ararat.
Tsavut danem,’ zeiden de Armenen nog dagelijks tegen elkaar, bij wijze van groet. Het betekende: Laat mij je pijn dragen. Pas toen ik alweer vertrokken was uit Etsjmiadzin, was het tot me doorgedrongen dat de speerpunt die de zij van het Lam Gods had doorboord, voor Armenen als Hovannes een gewichtiger relikwie moest zijn dan het stukje arkhout.
Het grootste deel van de twintigste eeuw was de Ararat gesloten. De noordwand met uitzicht op de verveloze betonbouw van Jerevan, was tijdens de Koude Oorlog off limits als grenszone tussen NAVO-Turkije en Sovjet-Armenië. Alleen van 1982 tot 1989, toen het erop leek dat de Koerdische guerrilla in dit deel van het land was uitgeschakeld, had het Turkse leger één route vrijgegeven, de zuidbeklimming.

Nu al negentig jaar, vertelt Westerman, loopt de route die Friedrich Parrot vanuit Etsjmiadzin naar de Ararat had genomen, dood op de grens. De spoorbaan en de weg naar de stad Kars in Turkije zijn afgesloten, gebarricadeerd met Spaanse ruiters en een tolhuis waarin nog altijd Russische grenssoldaten zijn gelegerd. In de Sovjettijd was de grensovergang bij Leninakan nog een van de schaarse openingen in het IJzeren Gordijn waardoor de bevoorrechte klasse in de Dogu-Express van Jerevan naar Istanbul reisde, maar sinds de vroege jaren negentig zat ook dit Armeens-Turkse Checkpoint Charlie potdicht. Zo komt het dat de Armenen de Ararat vóór alles zien als de verzinnebeelding van het beloofde land.


Jerewan, met op de achtergrond de Ararat - via Wikipedia

De arkzoekers
Maar naast een strategisch bolwerk in een geopolitiek spel, met een uitstekend zicht op het IJzeren gordijn, bleef de Ararat ook een religieus symbool. Dus zodra het wapengekletter even stilviel, kwamen er toch reizigers uit verre streken naar de berg van Noach. Een bijzondere categorie vormden de arkzoekers. Meestal waren dit geen ongelovige thomassen die het godsbewijs met eigen ogen wilden aanschouwen, maar humorloze predikers die eropuit waren andermans ziel te redden. Westerman dacht er eerst schamper over:
Alleen: tot dan toe had ik bij die benaming steeds het accent gelegd op het voorvoegsel ‘ark’. Die was onvindbaar, had vermoedelijk nooit bestaan en stond wat mij betreft voor iets onstoffelijks, een metafoor. Bleef over het achtervoegsel ‘zoekers’. Ik realiseerde me dat het broze wereldbeeld van de arkzoeker bestond bij de gratie van het niet-vinden, zijn doel diende aldoor net buiten bereik te blijven — dát hield hem op de been en gaf zijn leven richting. De arkzoeker ontleendde zijn eigenaardigheid niet aan de ark, maar aan het feit dat hij die zocht. En dat deed ik ook.
De traditie van het arkzoeken was in de vroege twintigste eeuw op gang gebracht door Russisch-orthodoxe kozakken. Na de Tweede Wereldoorlog, toen de Ararat binnen NAVO-grenzen lag, werd ze weer opgepakt door de Fransen (zoals Fernand Navarra) en Amerikanen (waarvan de beroemdste zonder twijfel Jim Irwin is, de gewezen astronaut). De eerste foto van de ark — of tenminste, wat daarvoor door moest gaan — verscheen uiteindelijk in september 1960 in Life (klik op 'Summary').

Westerman grijpt de gelegenheid aan om in te zoemen op de waarheidsgetrouwheid van het zondvloedverhaal. In de negentiende eeuw waren in de wetenschappelijke wereld twee tegenstrijdige krachten werkzaam. Archeologie leek even een God welgevallige wetenschap. Opgravingen in het Midden-Oosten leverden steeds meer aanwijzingen op die de historiciteit van de Bijbel leken te bevestigen; ene meneer Scheuchzer was al vroeger komen aandraven met zijn homo diluvii testis (het beendergeraamte van een oude verdronken zondaar bleek later een salamander te zijn).

Geologen van hun kant hadden de ouderdom van de aarde wetenschappelijk leren onderbouwen en hadden het Oude Testament als brontekst juist afgedankt. Een beslissende klap betekende de ontcijfering van tablet XI van het Gilgamesj-epos door George Smith. Het Bijbelse zondvloedverhaal bleek plagiaat. Een gelijkaardig verhaal was al opgetekend rond 1500 voor Christus in de benedenloop van de Eufraat van de Tigris.

In Ararat wijdt Salomon Kroonenberg al die overstromingsverhalen aan het smelten van de landijsmassa’s aan het einde van de laatste ijstijd, tienduizend jaar geleden, met de bijbehorende zeespiegelstijging van meer dan honderd meter. Al is dit een hypothese. Terloops doet hij ook zijn zegje over de kwestie of de Ararat een al dan niet actieve vulkaan is — het puin op de bodem van de Argurikloof, is dat morene of een lahar? Geologen moeten zich daarover uitspreken zonder ooit de toestemming te krijgen onderzoek ter plaatse te verrichten...

Hoe het Westerman verging? De eigenlijke beklimming van de Ararat, nota bene via een Koerdisch kantoortje, duurt nog geen twintig bladzijden en is duidelijk bijzaak. Het boek eindigt met een onbevredigende, op goedkoop effect mikkende abruptheid. De lezer mag het zijne denken; Westerman wil geen al te ferm standpunt innemen. Wetenschap en geloof zijn twee levensbeschouwingen die elkaar altijd zullen afstoten. Een onbeslist gevecht. Zoiets.

Ik vind dat laf. Westerman is op en top rationalist maar weigert de laatste conclusie hardop uit te spreken. Terwijl dit hele boek wel duidelijk maakt dat de Ararat een berg is als een andere. Helemaal niets is er te zien. Westerman blijft een goed oog hebben voor de ontstoken zenuwknopen uit de Europese geschiedenis. Dat wel.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder

Frank Westerman, Ararat
283 p.
Uitgeverij Atlas, 2007

____

donderdag 3 december 2009

Alfred Polgar

"Alfred Polgar (1873-1955), eigentlich Alfred Polak; Pseudonyme: Archibald Douglas, L. A. Terne, war ein österreichischer Schriftsteller, Aphoristiker, Kritiker und Übersetzer. (...) Nach der „Machtergreifung“ Hitlers in Deutschland wurden seine Bücher verbrannt und Polgar musste über Prag nach Wien zurückkehren. 1938 war er nach dem „Anschluss“ Österreichs abermals gezwungen, die Flucht zu ergreifen. Über Zürich emigrierte er nach Paris und schloss sich der Liga für das geistige Österreich (Ligue de l’Autriche Vivante) an, der auch Fritz Brügel, Gina Kraus, E. A. Rheinhardt, Joseph Roth und Franz Werfel angehörten. Nach dem Einmarsch der Deutschen in Frankreich 1940 floh er nach Marseille, von wo aus ihm im Oktober 1940 mit Hilfe des Emergency Rescue Committee über Spanien und Lissabon die Emigration in die USA gelang. In Hollywood arbeitete er unter anderem als Drehbuchautor für Metro-Goldwyn-Mayer."

> http://de.wikipedia.org/wiki/Alfred_Polgar

____

Tillie Olsen

"Tillie Lerner Olsen (1912–2007) was an American writer, associated with the political turmoil of 1930s and the first generation of American feminists. (...) Though she published little, Olsen was influential for her treatment of the lives of women and the poor. She drew attention to why women have been less likely to be published authors (and why they receive less attention than male authors when they do publish). Her work received recognition in the years of much feminist political and social activity. It contributed to new possibilities for women writers. Olsen's influence on American feminist fiction has caused some critics to be frustrated at simplistic feminist interpretations of her work. In particular, several critics have pointed to Olsen's Communist past as contributing to her thought."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Tillie_Olsen

____

Ngaio Marsh

"Dame Ngaio Marsh DBE (1895–1982), born Edith Ngaio Marsh, was a New Zealand crime writer and theatre director. (...) Internationally she is best known for her 32 detective novels published between 1934 and 1982. Along with Agatha Christie, Margery Allingham and Dorothy L. Sayers, she was classed as one of the four original "Queens of Crime"—female British crime writers who dominated the crime fiction genre in the Golden Age of the 1920s and 1930s. All her novels feature British CID detective Roderick Alleyn."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Ngaio_Marsh

____

Gabriel Chevallier

"Gabriel Chevallier (1895-1969) was a French novelist widely known as the author of the satire Clochemerle. (...) Clochemerle was written in 1934 and has been translated into twenty-six languages and sold several million copies. It was dramatised first in a 1947 film by Pierre Chenal and in 1972 by the BBC. He wrote three sequels (...)."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Gabriel_Chevallier

____

Ferrante Pallavicino

"Ferrante Pallavicino (1618–1644) was an Italian writer of lampoons and satires which, according to Edward Muir, "were so popular that booksellers and printers bought them from him at a premium." Pallavicino's scandalous satires, which cost him his head at the age of twenty-five, were all published under pseudonyms or anonymously."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Ferrante_Pallavicino


____

woensdag 2 december 2009

De Kreutzersonate - Leo Tolstoj

Nooit de mensen begrepen die blindelings het verschil zien tussen een Tolstoj en een Dostojevski, als betrof het het verschil tussen een echt en een vals schilderij. Ik zeg: Dostojevski kon De Kreutzersonate geschreven hebben. Het verslag van een duivels huwelijk, verteld door een man met radicale ideeën die snel zijn verhittingspeil bereikt. Meer een denkoefening in dialoogvorm dan een verhaal, dat bijgevolg niets laat zien van de grandioze verteller die Tolstoj ook was.

Het vertelstramien van De Kreutzersonate is volgens eenentwintigste-eeuwse maatstaven lui en doorzichtig. Leo Tolstoj schreef een praatstuk. Een eenacter. We bevinden ons in een treincoupé, waar zich een discussie ontspint tussen de reizigers, in wat een gloedvol Russisch moet zijn — jammer dus van de lelijke, afgeraffelde vertaling.

Een advocaat vertelt, hoezeer de publieke opinie op het ogenblik in Europa beziggehouden wordt door het probleem van de echtscheiding en hoe dergelijke gevallen ook in Rusland hand over hand toenemen. Waarop een oude koopman dat wijt aan de oprukkende moderniteit. De vrouw, Eva, werd gemaakt uit de rib van de man, en dat zal zo blijven tot het einde der tijden. Alleen kent de vrouw tegenwoordig haar plaats niet meer. Ondergeschikt in een gearrangeerd huwelijk.

Hij wordt tegengesproken door de enige vrouw in het gezelschap, die de liefde hoog heeft zitten: liefde definieert ze als de uitsluitende voorkeur van een man of een vrouw voor één persoon met uitsluiting van alle anderen. Liefde valt met andere woorden niet aan te leren.

‘Je kunt immers alleen maar beesten met elkaar laten paren, zoals de baas dat wil, maar mensen hebben zo hun eigen neigingen en hechten zich niet zomaar aan de eerste de beste!’ zei zij, blijkbaar met de bedoeling de koopman op zijn nummer te zetten.
‘U mag zo niet spreken, mevrouw,’ zei de oude man, ‘vee, dat zijn beesten, maar de mensen hebben de wet gekregen.’
‘En kun je dan met een man samenleven, als er geen liefde bij is?’ haastte de dame zich haar inzichten te spuien die haar kennelijk gloednieuw voorkwamen.
‘Vroeger braken de mensen zich daar niet het hoofd over,’ zei de grijsaard op autoritaire toon, ‘dat zijn fratsen van vandaag de dag. Er kan niets gebeuren of de vrouw zegt: ‘Ik ga van je vandaan.’ Zelfs bij de boeren begint dat er al in te komen. ‘Alsjeblieft,’ heet het dan, ‘hier heb je je hemden en je onderbroeken en je zoekt het maar uit. Ik ga er vandoor met Wanjka, die heeft veel aardiger krullen dan jij.’ Praat daar maar eens tegen. Het eerste wat een vrouw moet hebben is ontzag.’
De grijsaard is ferm: wederkerige liefde kan nooit bestaan, net zomin als er op een hele kar vol erwten twee gemerkte erwten naast elkaar zouden komen te liggen. Het bestaan van huwelijken is dan ook geen bewijs voor het bestaan van zoiets als 'liefde'. Waarop de vrouw de koopman verwijt dat hij het aldoor heeft over de fysieke kant van de liefde. Er is toch ook iets als geestelijke verwantschap — liefde op basis van gemeenschappelijke idealen?
‘Geestelijke verwantschap! Gemeenschappelijke idealen!’ bracht hij uit met dat merkwaardige keelgeluid. ‘Maar in dat geval hoef je niet met elkaar naar bed te gaan (vergeef me dat ik het zo grof stel). Toch gaan de mensen met elkaar naar bed als resultaat van die gemeenschappelijke idealen,’ zei hij met een nerveus lachje.'
Dan vervoegt een zekere Pozdnysjev het gezelschap, die zonder veel introductie verklaart dat hij zijn echtgenote vermoord heeft. De Kreutzersonate blijkt een raamvertelling: wanneer de naamloze ik-verteller alleen achterblijft met Pozdnysjev, vertelt deze laatste zijn verhaal. Hoe hij uitgerekend door de liefde werd gedreven tot moord.

Dat zit zo. Pozdnysjev groeide op in een milieu van grootgrondbezitters en stelt het voor alsof zijn afkomst en de bijbehorende ideeën hem ten val hebben gebracht. Vleselijke lust werd in zijn omgeving als een volkomen geoorloofde en voor de gezondheid nuttige functie gezien. Een onschuldige vorm van vermaak voor een jongeman.
'En ik, vijftienjarige jongen die ik was, ook ik bezoedelde mij en hielp mee en vrouw te bezoedelen, zonder in het minst te begrijpen wat ik eigenlijk deed. Er was immers nog nooit een oudere geweest om mij er op te wijzen dat het slecht was, wat ik deed. Ook nu wordt daar niemand op geattendeerd. Dat staat weliswaar in de Tien Geboden, maar die dienen alleen maar als examenstof voor de priester, en ook dan zijn ze op geen stukken na nog zo belangrijk niet als de regel voor het gebruik van ut in conditionele bijzinnen.'
Pozdnysjev werd een vrouwenvraat, aangetrokken door de vrouw in het algemeen, wiens naaktheid zijn gemoedsrust verstoorde. Hij hoefde zich niet te bekommeren om syfilis, vond hij — tegenwoordig geneest de wetenschap toch alles. Pozdnysjev slaagde er ook in zijn geweten te sussen, door geen morele banden aan te gaan met de vrouwen van zijn voorkeur.
'Ontucht zit hem immers niet in het fysieke, want puur fysieke losbandigheid is nog geen ontucht; ontucht, de echte ontucht bedrijft men namelijk door de morele verhouding tot de vrouw, met wie men seksuele omgang heeft, op te geven. En juist dat rekende ik mij als verdienste aan. Ik weet nog, hoe beroerd ik me eens gevoeld heb, omdat ik geen kans zag om een vrouw te betalen, die zich waarschijnlijk uit genegenheid aan mij gegeven had. Ik kwam pas tot rust, nadat ik haar geld had toegestuurd, en daarmee te kennen had gegeven, dat ik mij zedelijk niet in het minst aan haar gebonden achtte.'
Zo leefde Pozdnysjev voort tot zijn dertigste jaar — tot hij een hoogstaand, zuiver gezinsleven wenst op te bouwen, en met dat doel voor ogen rondkijkt naar een geschikte jonge vrouw. Wanneer hij haar vindt, is het goed raak:
'Merkwaardig toch, hoe volkomen de illusie is, dat schoonheid en goedheid één en hetzelfde zijn. Als een mooie vrouw onzin praat, dan hoor je noch zie je de domheid daarvan, dan is het allemaal even verstandig wat je hoort. Ze roddelt, ze haalt minne streken uit, maar jij vindt het vertederend. Als ze bêtises noch laagheden uitslaat, maar ze is wel mooi, dan ben er aanstonds van overtuigd, dat zij de intelligentie en de zedigheid zelve is.'
Pozdnysjev beklaagt zich omdat hij 'in de val' van de vrouwen is getrapt en geeft lucht aan zijn verbittering. Vrouwen, zegt hij, zijn gefrustreerd omdat ze zich moeten laten uitzoeken tijdens het spel van de liefde. Ze kunnen niet eigenmachtig te werk gaan. Daarom maken vrouwen, die kennelijk alleen maar een voorwerp voor de mannelijke zinnelijkheid kunnen zijn, mannen tot slaaf van hun lusten. Intussen draait de hele economische productie rond vrouwen. Alle opschik, mode, juwelen, meubilair en andere liflafjes staan in dienst van de vrouw. En beweer maar niet dat keurige vrouwen vanuit andere interesses leven dan vrouwen uit het bordeel.
'Want wat wij mannen niet weten, omdat we het niet willen weten, dat weten de vrouwen maar al te goed, namelijk: dat die hooggestemde poëtische liefde, zoals wij dat gelieven te noemen, allerminst afhangt van zedelijke verdiensten, maar van fysieke intimiteiten, waarbij dan nog de haardracht en de kleur en snit van de kleding een rol spelen. Vraag maar eens aan een doorgewinterde kokette vrouw, die een man in haar netten wil verstrikken, wat zij eerder zou riskeren: in aanwezigheid van de man die zij bekoren wil te worden betrapt op leugens, wreedheden of zelfs op ontucht, dan wel hem onder ogen te kkomen in een slecht genaaide en smakeloze japon. Iedere vrouw zal altijd het eerste verkiezen. Zij weet dat al die hoge gevoelens van de heer der schepping maar leugens zijn. Hij wil het lichaam hebben en daarmee uit. Daarom ziet hij alle ploertigheden door de vingers, maar een vormeloos, smakeloos en lelijk toilet zal hij iemand níet vergeven.'
Het huwelijk van Pozdnysjev wordt een mislukking. Praten met zijn vrouw stond gelijk aan Sisyfus-arbeid, verklaart hij. "Wij zijn twee met een ketting aan elkaar geklonken galeislaven geweest, die elkaars bestaan vergiftigden en probeerden dat niet in te zien." De hoge liefdesidealen die bij het huwelijk horen, zijn niet haalbaar.
'In alle romans worden de gevoelens der hoofdpersonen uitvoerig beschreven, evenals de vijvers en het struikgewas, dat de entourage van hun wandelingen vormt; maar bij de schildering van hun grote liefde voor een meisje wordt er met geen woord gerept over het verleden van die interessante held: geen woord over zijn bordeelbezoek, de dienstertjes en keukenmeiden en andermans vrouwen. (…) Eerst doet men tegenover de meisjes, alsof die losbandigheid en ontucht, die het leven van halve steden en dorpen beheerst, niet eens bestaat. Vervolgens raakt men zo gewend aan dat gedraai dat men tenslotte, net als de Engelsen, oprecht begint te geloven, dat wij allemaal zedelijk hoogstaande mensen zijn en in een moreel hoogstaande wereld leven.'
Wat is dan überhaupt de functie van het huwelijk, van deze instelling? Procreatie? Bij mensen werkt zoiets niet. Alleen de dieren weten als het ware, dat hun nakomelingschap de soort in stand zal houden. De mens bekommert zich alleen maar om een maximum van genot. Deze zelfverklaarde heer der schepping verheft zijn "bavianengescharrel" zelfs tot "de parel der schepping", tot de liefde.
‘Waarom zou het mensdom eigenlijk moeten blijven voortbestaan?’ zei hij.
‘Hoezo waarom? Anders zouden wij niet bestaan.’
‘En waarom zouden we eigenlijk?’
‘Wat! Om te leven, natuurlijk.’
‘Leven, en waarom dat? Als er geen enkel doel is, als het leven ons alleen maar gegeven is om het leven, dan heeft het geen zin. En als dat zo is, dan hebben mensen als Schopenhauer en Hartmann en alle boeddhisten volkomen gelijk. En als het leven een doel heeft, dan is het duidelijk, dat het leven moet ophouden te bestaan, zodra het doel bereikt wordt. Dat is de consequentie,’ sprak hij zichtbaar geëxalteerd, daar deze gedachte hem kennelijk zeer dierbaar was. ‘Daar komt het op neer. Let wel, als het doel van de mensheid is: welzijn, het goede, de liefde en wat u maar wilt; als het doel van de mensheid al datgene is, wat in de profetieën staat, te weten, dat alle mensen in liefde verenigd zullen worden, dat de zwaarden tot ploegscharen zullen worden omgesmeed en wat dies meer zij, wat zal dan het bereiken van dat de doel in de weg staan? De hartstochten, die vormen het beletsel. En de allersterkste, boosaardigste, de vleselijke liefde en daarom, als de hartstochten eenmaal vernietigd zullen zijn, ook de sterkste, de zinnelijke liefde dus, dan zal de profetie vervuld zijn, dan zullen de mensen één worden, dan zal het doel van de mensheid bereikt zijn en zal de mensheid niets meer hebben om voor te leven. Maar zo lang de mensheid leeft, staat hem een ideaal voor ogen en dat is natuurlijk niet het ideaal van varkens en konijnen om zich op zo groot mogelijke schaal voort te planten, zomin als het ideaal van apen of Parijzenaars is die de genietingen van de zinnelijke liefde zo geraffineerd mogelijk willen smaken, maar het ideaal van het goede, dat men bereikt door onthoofding en reinheid. Daar hebben de mensen altijd naar gestreefd en blijven zij ook streven. En kijk maar eens, wat er van terecht komt.
Het resultaat is, dat de zinnelijke liefde een uitlaatklep is. De huidige generatie heeft dit doel niet bereikt, en dat komt alleen maar, omdat zij door hartstochten bezocht wordt, waarvan de sterkste de zinnelijke is. En zolang die voorhanden is, komt er een nieuwe generatie, dus de mogelijkheid blijft bestaan dat die het doel wel bereikt. Als het die ook niet lukt, dan komt er weer een volgende, net zo lang, totdat het doel bereikt wordt. Dan is de profetie vervuld en zullen de mensen één zijn. En wat zal er anders gebeuren?
Laten wij eens aannemen dat God de mens geschapen heeft om hem een bepaald doel te laten bereiken, dat hij hen zou scheppen als sterfelijke wezens zonder geslachtsdrift, dan wel als onsterfelijke wezens. Als zij sterfelijk zouden zijn, maar geen geslachtsdrift hadden, wat zou dan het gevolg zijn? Dan zouden zij leven, het doel niet bereiken en sterven; maar om het doel te laten bereiken zou God weer nieuwe mensen moeten scheppen. Waren zij sterfelijk, laten we dan eens aannemen (hoewel het moeilijker zou zijn voor deze mensen om fouten te herstellen en de volmaaktheid te benaderen, dan dat dit het voor een nieuwe generatie zou zijn), laten we dus eens aannemen dat zij na vele duizenden jaren het doel bereikt zouden hebben, wat zouden ze dan verder nog voor bestaansreden hebben? Waar moeten ze dan heen? Zoals het is, is het nog het beste…
Maar misschien houdt u niet van deze wijze van uitdrukken en bent u een aanhanger van de evolutieleer? Ook in dat geval is de uitkomst dezelfde. De hoogste diersoort, de menselijke dus, moet zich, om zich in stand te houden tegenover andere diersoorten, samenvoegen als een zwerm bijen, maar zich niet eindeloos voortplanten; ze zouden, net als de bijen, geslachtsloze wezens moeten aantelen, dus weer moeten streven naar onthouding en zeker niet naar het aanwakkeren van de geilheid, waarop de hele organisatie van het leven gericht is.’
Hij pauzeerde even.
‘Het menselijke geslacht zou uitsterven? Maar kan iemand daar soms aan twijfelen, om het even wat zijn wereldbeschouwing is? Dat is toch even onbetwijfelbaar als de individuele dood. Volgens de hele kerkelijke dogmatiek moet het einde van de wereld komen, en volgens alle wetenschappelijke theorieën is dat einde al even onvermijdelijk. Wat is er dan voor eigenaardigs aan, als ook de zedenleer tot dezelfde slotsom komt?’
Na deze woorden zweeg hij een hele tijd, dronk nog wat thee, rookte een sigaret, haalde een nieuw pakje uit zijn reiszak en stopte die in zijn oude, vlekkerige sigarettenétui.
‘Ik begrijp uw denktrant,’ zei ik, ‘de shakers beweren iets overeenkomstigs.’
‘Ja, ja, en gelijk hebben ze,’ zei hij. ‘De geslachtsdrift, in welke vorm dan ook, is een kwaad, een verschrikkelijk kwaad dat men bestrijen moet en niet aanwakkeren, zoals wij dat doen. De woorden uit het evangelie, dat hij die een vrouw aanziet om haar te begeren reeds overspel met haar gepleegd heeft, slaan niet alleen op andermans vrouwen, maar juist en vooral op de eigen vrouw.’


Het punt is: nadat het koppel kinderen krijgt, vindt Pozdnysjev geen rechtvaardiging meer voor de huwelijkse betrekkingen. Zijn vrouw van haar kant besteedt minder tijd aan de kinderen en schenkt meer en meer aandacht aan zichzelf en haar voorkomen. Ze neemt haar pianospel weer op. Op die manier komt er een nieuwe man in haar leven, Troechatsjevski. Een violist, een man van de wereld, diie conservatorium heeft gelopen te Parijs.
'Vanaf de eerste keer dat zijn ogen en die van mijn vrouw elkaar ontmoetten, had ik gezien dat het wilde dier, dat in beiden schuil ging met voorbijgaan aan alle conventies van positie en stand vroeg: ‘Zou het kunnen?’ en dat het antwoord was: ‘O, beslist!’'
Troechatsjevski biedt zijn diensten aan. Samenspel: hij op viool, de vrouw op piano. Pozdnysjev, die erg veel van muziek houdt, sympathiseert aanvankelijk met hun spel, zet de muziekstandaard voor hen op en slaat de bladzijden om. Maar het onvermijdelijke gebeurt.
'Als hij niet op het toneel was verschenen, dan was het wel een ander geweest. Als het voorwendsel van de jaloezie er niet was geweest, dan hadden we wel een andere aanleiding gezocht. Ik blijf volhouden, dat alle echtgenoten, die leven zoals ik het deed, ofwel moeten vervallen tot liederlijkheid, uit elkaar moeten gaan, ofwel zelfmoord plegen, ofwel hun vrouw vermoorden, zoals ik deed. Als iemand daar onderuit komt, dan is dat een uiterst zeldzame uitzondering.'
Een van de stukken die ze spelen is Beethovens Kreutzersonate. Pozdnysjev krijgt een hekel aan deze sonate en aan muziek in het algemeen, omdat deze de luisteraar zinnelijk maakt, of zelfs helemaal buiten zinnen brengt.
‘Zij speelden de Kreutzersonate van Beethoven. Kent u het openingspresto? Kent u dat?!’ schreeuwde hij. ‘O!... Een verschrikkelijk ding. Wat is het eigenlijk. Ik kan er niet bij. Wat is muziek eigenlijk? Wat doet muziek, en waarom doet zij, wát zij doet? Men zegt dat de muziek een verheffende uitwerking op de ziel heeft, maar dat is onzin, je reinste leugens! Uitwerking hééft ze, een verschrikkelijke uitwerking en, nu spreek ik voor mezelf, volstrekt geen verheffende uitwerking op de ziel. De uitwerking die zij op de ziel heeft is verheffend noch verlagend, maar de psyche prikkelend. Hoe zal ik u dat zeggen? Muziek dwingt mij mijzelf te vergeten, mijn werkelijke toestand te vergeten, zij verplaatst mij in een andere toestand, die niet de mijne is: onder invloed van muziek lijkt het, dat ik dingen voel, die ik eigenlijk niet voel, dat ik dingen begrijp die ik in feite niet begrijp, dat ik kan, wat ik eigenlijk niet kan. Ik verklaar het door het feit dat muziek net zo’n uitwerking heeft als geeuwen en lachen: ik heb bij voorbeeld helemaal geen slaap, maar als ik iemand zie geeuwen, moet ik ook geeuwen; zo is er niets om te lachen, maar ik hoor iemand lachen en dan moet ik ook lachen.
Zij, de muziek, verplaatst mij dadelijk, zonder verdere tussenkomst in de psychische toestand, waarin degene verkeerde, die die muziek schreef. Psychisch smelt ik samen met de maker en samen met hem verplaats ik mij van de ene zielstoestand in de andere, maar waarom ik dat doe, dat weet ik niet. De componist van de Kreutzersonate, Beethoven, wist althans, waarom hij zich in die toestand bevond. Die toestand bracht hem tot bepaalde daden en daarom was die toestand voor hem zinvol, maar voor mij is die dat niet in het minst. En daarom prikkelt muziek slechts, maar brengt niets tot stand. Goed, er wordt een militaire mars gespeeld en de soldaten marcheren daarop en de muziek heeft zijn doel bereikt; het orkest speelt dansmuziek, ik dans op die muziek en de muziek is functioneel; er wordt een mis gezongen, ik neem deel aan de liturgie en weer heeft de muziek een functie. In andere gevallen is de muziek alleen maar prikkeling, zoals in dit geval, want datgene, waartoe die muziek ons prikkelde, bestond niet. En daarom is de uitwerking van muziek zo verschrikkelijk, soms zo ontzettend. In China is de muziek een staatsaangelegenheid.
Pozdnysjev is zijn jaloezie niet meer de baas en verdenkt zijn vrouw ervan een affaire te hebben met Troechatsjevski, hetgeen zij ontkent. Dan moet de grootgrondbezitter enkele dagen weg naar een districtsvergadering. Wanneer hij bij zijn thuiskomt in een brief van zijn vrouw leest dat de violist haar partituren is komen brengen, is er voor hem geen twijfel meer. Tolstoj toont nergens of er daadwerkelijk overspel plaats vindt, al lijkt het er wel op dat hij dit heeft nagelaten uit zedelijkheidsoverwegingen: de vrouw ontkent het niet.

Het laatste kwart van De Kreutzersonate heeft niets meer van een ideeënroman (ideeënnovelle?). Al wat Tolstoj overbrengt, is suspense, en gruwelijke vastberadenheid. Pozdnysjev steekt zijn vrouw neer met een dolk.
'Als mensen vertellen, dat ze in een aanval van razernij niet meer weten wat ze doen, dan is dat onzein, gewoon een leugen. Ik wist precies wat ik deed en geen seconden ben ik opgehouden met me dat bewust te zijn.'
De Kreutzersonate is zo'n extreem boek, zo vol oneigentijdse ideeën (hoewel, mysogiene toogpraat is van alle tijden) dat de lezer naar referentiewerken grijpt om te weten hoe de schrijver de tekst 'bedoeld' heeft. Het motto komt uit Mattheüs: "Maar Ik zeg U: Een ieder, die een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar gepleegd." Wat moeten we daar tegenwoordig mee? Seksuele versterving als ideaal?

In zijn tijd, las ik, gold de novelle al als immoreel en werd ze gecensureerd door de Russische overheden. In het jaar van publicatie verboden de Amerikaanse posterijen dat kranten de novelle als feuilleton zouden publiceren. President Roosevelt deed Tolstoj af als een 'seksuele en morele pervert'.

In het aanhangsel dat volgde op de eigenlijke novelle, hier niet opgenomen, moest Tolstoj van de autoriteiten zijn bedoelingen duidelijk maken. Blijkt Pozdnysjev toch een megafoon voor zijn eigen idealen. Een man moet zijn land dienen, de wetenschap, de schone kunsten, of God. Geheelonthouding is daarbij een goede richtlijn, zij het geen onverbiddelijke regel. Tolstoj verfoeide het huwelijk, dat hij zag als een uitvinding van de kerk, het instituut, niet van God. God en je naasten moeten bemind worden. Seksueel verkeer en het huwelijk dienen alleen maar je zelf. Echte liefde behoeft geen bekrachtiging in het lichamelijke, integendeel.

De Kreutzersonate is dus een tendentieuze tekst, geschreven na Tolstojs bekering tot het christendom. En opeens is te begrijpen waarom Tolstoj zich van zoveel alleenspraak heeft bediend in dit verhaal. Waarom de mannelijke ik-figuur weinig tegen het standpunt inbrengt. De visie van de vrouw komt niet eens aan bod.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://en.wikipedia.org/wiki/Violin_Sonata_No._9_(Beethoven)

Leo Tolstoj, De Kreutzersonate
128 p.
Uitgeverij Veen, 1976
Oorspr. Krejtserova sonata (1889, naschrift 1890)
Vertaald door Marko Fondse

____

dinsdag 1 december 2009

Essays of E.B. White - E.B. White

Allicht is E.B. White (1899-1985) in onze contreien het meest gekend als jeugdauteur, als de man achter Stuart Little en Charlotte's web. Ik kende 'm vooral van het Amerikaanse taalzuiveringsboek The elements of style — oorspronkelijk geschreven door William Strunk, en geactualiseerd door White. Met James Thurber was White ook een van de schrijvers die met zijn essays The New Yorker een eigen smoel gaf, in de beginjaren van het tijdschrift.

Essays of E.B. White is een keuze uit eigen werk: een bundel met 31 beschouwende stukken uit de periode 1934-1977, waarvan het merendeel inderdaad verscheen in The New Yorker. White hield de teksten over die 'm vermaakten bij het herlezen, doorbrak de chronologie en groepeerde ze onder thematische kopjes: 'The farm', 'The planet', 'The city', 'Florida', 'Diversions and obsessions' en 'Books, men and writing'. Essays of E.B. White, geeft de flaptekst al aan, is een toonbeeld van beschaving. Het begint al met een verontschuldiging in het voorwoord.

Only a person who is congenitally self-centered has the effrontery and the stamina to write essays.
Niettemin: waarom zou iemand essays lezen? Eén mogelijk antwoord luidt: omdat essays alle kanten opkunnen. En omdat E.B. White briljant gebruik maakt van die mogelijkheid. Een jeugdherinnering ('Afternoon of an American Boy') wisselt af met een reisverhaal waarin White veertig dagen meevaart op een stoomboot richting Alaska ('The years of wonder', 1961). Een verhandeling over de verloedering van de Amerikaanse spoorwegen ('The railroad', 1960) wisselt af met een monomane ode aan de Ford T ('Farewell, my lovely!', 1936).
The Model T was distinguished from all other make of cars by the fact that its transmission was of a type known as planetary — which was half metaphysics, half sheer friction. Engineers accepted the word “planetary” in its epicyclic sense, but I was always conscious that it also meant “wandering”, “erratic.” Because of the peculiar nature of this planetary element, there was always, in Model T, a certain dull rapport between engine and wheels, and even when the car was in a state known as neutral, it trembled with a deep imperative and tended to inch forward. There was never a moment when the bands were not faintly egging the machine on. In this respect it was like a horse, rolling the bit on its tongue, and country people brought to it the same technique they used with draft animals.

[...]

The lore and legend that governed the Ford were boundless. Owners had their own theories about everything; they discussed mutual problems in that wise, infinitely resourceful way old women discuss rheumatism. Exact knowledge was pretty scarce, and often proved less effective than superstition. Dropping a camphor ball into the gas tank was a popular expedient; it seemed to have a tonic effect on both man and machine. There wasn’t much to base exact knowledge on.
Het punt is: essays zoals E.B. White ze schrijft, houden het midden tussen een betoog en een autobiografisch verhaal, op een manier dat beide aspecten elkaar verrijken, niet opheffen. Een stuk als 'Bedfellows' (1956) mag exemplarisch heten: de auteur ligt ziek te bed, en slaat aan het mijmeren: nu eens groots over de gezondheid van het democratische bestel in Amerika, dan weer heel particulier, over zijn dashond. Vaak levert White perfecte alinea's af.
Fred devoted his life to deflating me and succeeded admirably. His attachment to our establishment, though untinged with affection, was strong nevertheless, and vibrant. It was simply that he found in our persons, in our activities, the sort of complex, disorderly society that fired his imagination and satisfied his need for tumult and his quest for truth. After he had subdued six or seven porcupines, we realized that his private war against porcupines was an expensive bore, so we took to trying him, making him fast to any tree or wheel or post or log that was at hand, to keep him from sneaking off into the woods. I think of him as always at the end of some outsize piece or rope. Fred’s disgust at these confinements was great, but he improved his time, nonetheless, in a thousand small diversions. He never just lay and rested. Within the range of his tether, he continued to explore, dissect, botanize, conduct post-mortems, excavate, experiment, expropriate, savor, masticate, regurgitate. He had no contemplative life, but he held as a steady gleam the belief that under the commonplace stone and behind the unlikely piece of driftwood lay the stuff of high adventure and the opportunity to save the nation.
Wat mij vooral trof, en wat ook bijdraagt aan de variëteit van de bundel, is het geschipper van White tussen natuur en cultuur, tussen stad en platteland. Het rare is: White's bespiegelingen overtuigen steeds, in welke biotoop hij ze ook schrijft — in de grootstad, op de boerderij, of op een eilandje voor de kust van Florida.

Het is heel dubbel. Essays of E.B. White bevat het klassiek geworden (maar naar eigen zeggen gedateerde) 'Here is New York ' (1949), een lyrisch stuk waarin de stad wordt neergezet als een eengemaakte wereld in het klein...
I mention these merely to show that New York is peculiarly constructed to absord almost anything that comes along (whether a thousand-foot liner out of the East or a twenty-thousand-man convention out of the West) without inflicting the event on its inhabitants, so that every event is, in a sense, optional, and the inhabitant is in the happy position of being able to choose his spectacle and so conserve his soul. In most metropolises, small and large, the choice is often not with the individual at all. He is thrown to the Lions. The Lions are overwhelming; the event is unavoidable. A cornice falls, and it hits every citizen on the head, every last man in town.

[...]

A poem compresses much in a small space and adds music, thus heightening its meaning. The city is like poetry: it compresses all life, all races and breeds, into a small island and adds music and the accompaniment of internal engines. The island of Manhattan is without any doubt the greatest human concentrate on earth, the poem whose magic is comprehensible to millions of permanent residents but whose full meaning will always remain elusive. At the feet of the tallest and plushiest offices lie the crummiest slums. The genteel mysteries housed in the Riverside Church are only a few blocks from the voodoo charms of Harlem. The merchant princes, riding to Wall Street in their limousines down the East River Drive, pass within a few hundred yards of the gypsy kings; but the princes do not know they are passing kings, and the kings are not up yet anyway — they live a more leisurely life than the princes and get drunk more consistently.
... aan de andere kant staan er in deze bundel genoeg verhalen over het leven op de boerenbuiten. Over winterkou en "subzero mornings" ('The winter of the great snows', 1971). Over het houden van ganzen ('The geese', 1971). Over een, euh, varken ('Death of a pig', 1947). Over orkaangevaar ('The eye of Edna', 1954).
At noon, I took a short vacation from the radio and looked out at the familiar scene, hich, because it bore so little relation to the radio scene, assumed a sort of unreality. It was thirty hours or more since I’d slipped into a hurricane mood, and I could feel the telling effects of such sustained emotional living. I went oudoors. A light breeze was blowing from the southeast. Rain fell in a drizzle. The pasture pond was unruffled but had the pricky surface caused by raindrops, and it seemed bereft without geese. The sky was a gloomy gray. Two rose-bushes bowed courteously to each other on the terrace. I got a berry basket and walked out to the pullet yard, where I collected a few damp eggs. The pullets stood about in beachcombing attitudes, their feathers in disorder. As I walked back to the house, I measured with my eye the point on the roof where the biggest balm-of-Gilead tree would strike when it toppled over. I made a mental note to evacuate my people from front rooms if the wind should shift into the west, but was doubtful as to my chances of evacuating my wife fromo any room whatsoever, as she doesn’t readily abandon well-loved posts, especially if they are furnished with traditional objects that she admires and approves of, and she is inclined to adopt a stiff-backed attitude about any change of location based on my calculations. Furthermore, she can present an overwhelming array of evidence in support of her position.
Overigens, omdat ik geen nature boy ben, en elke verheerlijking van het eenvoudige, rurale leven wantrouw, was ik White dankbaar voor zijn humor.
One of the most time-consuming things is to have an enemy. The fox is mine. He wants to destroy my form of society — a society of free geese, of Bantams unconfined. So I react in the natural way, building up my defenses, improving my weapons and my aim, spending more and more time on the problem of supremacy. This morning the wolf and the fox compete for my attention; I am a hunter divided against himself. Either animal could slip easily through my guard while I am thinking about the other. When I realize what a vast amount of time the world would have for useful and sensible tasks I each country could take its mind off “the enemy,” I am appalled. I shot a fox last fall — a long, lucky shot with a .22 as he drank at the pond. It was cold murder. All he wanted at that moment was a drink of water, but the list of his crimes against me was a long one, and so I shot him dead, and he fell backward and sank slowly into the mud. ['A report in january', 1958]
Al is het zinloos om de vinger te leggen op wat grappig is aan zo'n passage. Zoals White zelf ergens zegt: "To interpret humor is as futile as explaining a spider’s web in terms of geometry."


E.B. White aan het werk voor The New Yorker, Manhattan, ca. 1955

Natuur of cultuur? Ik ken de biografie van E.B. White niet genoeg om te weten naar welke state of mind zijn voorkeur nu eigenlijk uitging. Dit boek maakt het ook niet duidelijk. In de jaren twintig en dertig heeft White kantoor gehouden te New York, in Manhattan. Tegelijk was hij bepaald geen sociaal dier, en tuk op afzondering. In 'The world of tomorrow' (1939) over de Wereldtentoonstelling in New York, geeft hij aan de plotse overdaad in zijn stad niet te kunnen bevatten. In 1941 overschouwt hij vanuit een strandhutje het wijdse uitzicht, om te verzuchten:
The sea answers all questions, and always in the same way; for when you read in the papers the interminable discussions and the blickering and the prognostications and the turmoil, the disagreements and the fateful decisions and agreements and the plans and the programs and the threats and the counter threats, then you close your eyes and the sea dispatches one more big roller in the unbroken line since the beginning of the world and it combs and breaks and returns foaming and saying: “So soon?”
En vele jaren later, in 'Letter from the east' (1975), verklaart hij zich solidair met de Amerikaanse kleinburger die vindt dat de wereld hem over het hoofd groeit.

I believe, from the sessions I’ve attended in my kitchen, which is where I get my most reliable information, that what most deeply disturbs the people in the small towns of Maine these days is not gasoline, not the cost of living, not unemployment. I think people are disturbed by the discovery that no longer is a small town autonomous — it is a creature of the state and of the Federal Government. We have accepted money for our schools, our libraries, our hospitals, our winter roads. Now we face the inevitable consequence: the benefactor wants to call the turns. The Blue Hill Hospital’s $2-million wing had hardly opened its doors when the citizen of the town awoke one morning to find, in the Portland Sunday Telegram, a story based on an interview with Mark Knowles, director of the State Comprehensive Health Planning Agency, suggesting that small hospitals “under thirty-five beds” might soon be marked for oblivion. People who have just gone through the agonies of raising a great deal of money for a well-loved local institution don’t take it lightly when they hear that perhaps their work has been for nothing. People were mad as hops. Yankees don’t want a planner in Augusta or in Washington telling them were to put a hospital or a school or how many beds or desks to install. They are accustomed to making decisions like that for themselves. They feel it is their right. (They also take the grants, and once the habit has been formed it is not likely ot be broken.) Knowles made the big mistake of using the word “parameter” in a letter to the president of the Maine Hospital Association. Most of us are familiar with a “perimeter”, but a “parameter” was a little too much, considering the raw state of our nerves. It’s bad enough to hear that your hospital is the wrong size, without having a parameter thrown at you.
With so much that is disturbing our live and clouding our future, beginning right here in my own little principality, with its private pools of energy (the woodpile, the black stove, the germ in the seed, the chick in the egg), and extending outward to our unhappy land and our plundered planet, it is hard to foretell what is going to happen. I know one thing that has happened: the willow by the brook has slipped into her yellow dress, lending, along with the faded pink of the snow fences, a spot of color to the vast gray-and-white world. I know, too, that on some not too distant night, somwhere in pond or ditch or low place, a frog will awake, raise his voice in praise, and be joined by others. I will feel a whole lot better when I hear the frogs.

White is ook de man die in 1933 een boerderij kocht in Maine — 'Allen Cove' zei hij zelf, naar de plaatsnaam op scheepskaarten — en daar een halve eeuw met zijn vrouw bleef wonen.

Maar op andere momenten komt de wereldwijze intellectueel bovendrijven. Onder meer 'Sootfall and fallout' (1956) bevat een striemende aanklacht tegen bekrompenheid.
The habit of thinking in small, conventional terms is, of course, not limited to us Americans. You could drop a leaflet or a Hubbard squash on the head of any person in any land and you would almost certainly hit a brain that was whirling in small, conventional circles. There is something about the human mind that keeps it well within the confines of the parish, and only one outlook in a million is nonparochial. The impression one gets from campaign oratory is that the sun revolves around the earth, the earth revolves around the United States, and the United States revolves around whichever city the speaker happens to be in at the moment. This is what a friend of mine used to call the Un-Copernican system. During a presidential race, candidates sometimes manage to create the impression that their thoughts are ranging widely and that they have abandoned conventional thinking. I love to listen to them when they are in the throes of these quadrennial seizures. But I haven’t heard much from either candidate that sounded unconventional — although I have heard some things that sounded sensible and sincere. A candidate could easily commit political suicide if he were to come up with unconventional thought during a presidential tour.
Twee kwesties houden de opiniemaker White bezig; ze keren terug door de jaren heen. Eén: het uitblijven van volledige burgerrechten voor zwarten in Amerika. Eind jaren veertig mogen blank en zwart samen op de bus, maar worden ze gescheiden in hotels en restaurants. In Florida krijgt een Noorderling als White ineens met de seperate but equal-doctrine te maken, en de weerstand daartegen.
The Supreme Court decision is like the Southern sun, laggard in its early stages biding its time. It has been the law in Florida for two years now, and the years have been like the hours of the morning before the sun has gathered its strength. I think the decision is as incontrovertible and warming as the sun, and, like the sun, will eventually take charge.
Twee: de consequenties van het nucleaire tijdperk. In Essays of E.B. White schrijft een auteur die atoombommen heeft weten ontploffen. White is evenwel geen naïeve pacifist die al zijn hoop stelt op verregaande ontwapening — "I am afraid that blaming armaments for war is like blaming fever for disease" schrijft hij in 'Unity' (1960) — omdat vredesverdragen alleen met wapens kunnen gegarandeerd worden en omdat ontwapening in de kaart speelt van het land dat het machtigst blijft zonder wapens.

De bundel eindigt in schoonheid, met de afdeling 'Books, men and writing'. In het stuk over Don Marquis leer ik dat het schrijven van een krantencolumn in het Amerika van de jaren tien en twintig achtenswaardige arbeid was. (Een columnist moest studiehoofd en dichter in één zijn. Tegenwoordig, schrijft White, stikken de krantenkolommen van de schrijvers die geen van beide zijn — luidruchtige clowns en gemankeerde dichters.) White blijkt bovendien een talentvol boekbespreker. 'A slight sound at evening' (1954) fileert Walden, van Thoreau.
Many think it a sermon; many set it down as an attempt to rearrange society; some think it an exercise in nature-loving; some find it a rather irritating collection of inspirational puffballs by an eccentric show-off. I think it none of these. It still seems to me the best youth’s companion yet written by an American, for it carries a solemn warning against the loss of one’s valuables, it advances a good argument for travelling light and trying new adventures, it rings with the power of positive adoration, it contains religious feelling without religious images, and it steadfastly refuses to record bad news. Even in pantheistic note is so pure as to be noncorrupting — pure as the flute-note blown across the pond on those faraway summer nights. If our colleges and universities were alert, they would present a cheap pocket edition of the book to every senior upon graduating, along with his sheepskin, or instead of it. Even if some senior were to take it literally and start felling trees, there could be worse mishaps: the ax is older than the Dictaphone and it is just as well for a young man to see what kind of chips he leaves before listening to the sound of his own voice. And even if some were to get no farther than the table of contents, they would learn how to name eighteen chapters by the use of only thirty-nine words and would see how sweet are the uses of brevity.
If Thoreau had merely left us an account of a man’s life in the woods or if he had simply retreated to the woods and there recorded his complaints about society, or even if he had contrived to include both records in one essay, Walden would probably not have lived a hundred years. As things turned out, Thoreau, very likely without knowing quite what he was up to, took man’s relation to Nature and man’s dilemma in society and man’s capacity for elevating his spirit and he beat all these matters together, in a wild free interval of self-justification and delight, and produced an original omelette from which people can draw nourishment in a hungry day. Walden is one of the first of the vitamin-enriched American dishes.
'Will Strunk', tot slot, memoreert de goeroe van het beknopte schrijven. Will Strunk, auteur van het eerder genoemde The elements of style, had er zo ongeveer zijn levenstaak van gemaakt overbodige woorden overboord te gooien. In zijn eigen woorden (en meteen een subliem praktijkvoorbeeld):
Vigorous writing is concise. A sentence should contain no unnecessary words, a paragraph no unneccessary sentences, for the same reason that a drawing should have no unnecessary lines and a machine no unnecessary parts. This requires not that the writer make all his sentences short, or that he avoid all detail and treat his subjects only in outline, but that every word tell.
E.B. White is hem daar niet helemaal in gevolgd, en geeft grif toe dat hij eerder op het gehoor schrijft, dan met de regels van de retorica in het achterhoofd.
The Professor devotes a special paragraph to the vile expression “the fact that,” a phrase that causes him to quiver with revulsion. The expression, he says, should be “revised out of every sentence in which it occurs.” But a shadow of gloom seems to hang over the page, and you feel that he knows how hopeless his cause is. I suppose I have written “the fact that” a thousand times in the heat of composition, revised it out maybe five hundred times in the cool aftermath. To be batting only .500 this late in the reason, to fail half the time to connect with this fat pitch, saddens me, for it seems a betrayal of the man who showed me how to swing at it and made the swinging seem worth while.
Zoveel moois voor geen geld. Dit tweedehands boek kostte nog geen twee euro (exclusief drie euro verzending). En dat allemaal dankzij het Duitse filiaal van Amazon. Er bestaat geen twijfel over: lezers van nu leven in de beste van alle werelden.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

E.B. White, Essays of E.B. White
277 p.
Uitgeverij Harper & Row, 1977

____

maandag 30 november 2009

Ik zie ik zie - Hans Aarsman

Wilt u het mannelijke ras eens in optima forma zien? Zoek dan op internet naar fotorecensies. Echte besprekingen — niet het monosyllabe gestamel op Flickr en consoorten. U zal van een kale kermis thuiskomen. Ontelbare reviews van digitale camera's en bijbehorende speeltjes, maar geen woord over wat we met die dure toestellen aanmoeten. Tutorials, dat wel, over het optimaliseren in Photoshop. Wéér technisch geleuter. Waar blijft de menselijke maat?

Fotografie — focussen, scherpstellen, afdrukken — is een fijne bezigheid voor het mannelijke ego. Zeker als het eindresulaat technisch volmaakt is. Kan de maker van zo'n foto zich mooi op de borst kloppen. Haarscherp beeld betekent alleen niet dat er ook nog iets interessants te zien is op de foto.

En dat er iets interessants te zien is betekent dan weer niet dat we het ook opmerken. We worden zo overspoeld door beeldmateriaal dat we in de meeste foto's weinig meer zoeken dan snelle inhoudelijke herkenning of oppervlakkig esthetisch welbevinden. Wanneer kijken we nog uitvoerig naar plaatjes? Bij gelegenheidskiekjes ('staat mijn dubbele kin erop')? Bij een spelletje 'Zoek de vijf verschillen' in de krant? Bij disfunctioneel naakt op internet?

Fotorecensenten zoals Johan de Vos, Hans Aarsman en, bij gelegenheid, Rudy Kousbroek kunnen ons leren hoe we meer halen uit foto's. Alleen al het verhaal van Saya, de Japanse receptioniste op de voorplaat van Aarsmans Ik zie ik zie, bewijst de noodzaak van deze uitgave.

Ik zie ik zie brengt 42 fotobesprekingen samen. Stukjes uit de donderdagse kunstbijlage van de Volkskrant, geselecteerd uit de periode mei 2005-november 2008. Iedere week koos Aarsman één foto uit de 20.000 plaatjes die de persbureaus elke week over de krantenredacties uitstorten.

Alleen jammer van de schraapzuchtige uitgever. Het boek is gewoon te klein voor dit opzet. Foto's zijn uitgesmeerd over twee bladzijden zodat de vouw een streep trekt over het beeld en een dikke reep uit de foto wegzuigt. Er is niet eens glanspapier gebruikt, zodat de foto's dof ogen en grofkorrelig. En ik had meer stukjes willen lezen.

Wat wel goed is: elke foto wordt eerst paginavullend gepresenteerd, zonder onderschriften. Op die manier wordt de lezer aangespoord de afbeelding grondig op te nemen, zonder aanknopingspunten. Op de volgende pagina staat dan, naast een uitsnede van een sprekend detail, het commentaar van Aarsman.

De toon en interesses van Aarsman wisselen nogal per foto. Hij taxeert de blik en de lichaamstaal van wie willens of nillens geportreerd werd (p. 15). Hij toont hoe mensen verschillend omgaan met het besef dat ze gefotografeerd worden (p. 127). Hij bespreekt een oorlogstafereel als was het een middeleeuws panorama (p. 55). Hij stelt de juiste vragen bij een propagandafoto van een Amerikaanse president (p. 31). Geeft achtergronden die een sentimentele foto op losse schroeven zet (p.15). Wijst op het icoonmatige van bepaalde poses. Identificeert zich met de afgebeelde. Ziet belangrijke details.

Zou niemand in het Witte Huis weten dat varens schaduw en vocht nodig hebben, zo’n beetje alles wat het grasveld voor het Witte Huis niet kan bieden? Ze zijn van plastic, kan niet anders. Dat verklaart waarom buikkruipende fotografen geen kwaad kunnen. De varens worden bewaard in het tuinhuisje linksachter op de bovenste foto. Iedere keer dat de pers komt opdraven, worden ze tevoorschijn gehaald.
De begeleidende teksten zijn efficiënt, beknopt, met af en toe een beetje makkelijke pointes. Soms doet Aarsman aan cabaret (het stukje over de voddenkleren van Beatrix p. 135, of Kim Jong-il op inspectie bij de marine p. 163). Soms levert hij een meer dan aardige column af. Het verhaal bij de herdenking van de slachtoffers van de Londense bomaanslagen (p. 155) is perfect. Of Aarsmans gemijmer bij een foto van de kaalslag in een Zweeds bos:
Voor het eerst van mijn leven kan ik me iets voorstellen bij een leven na de dood. Altijd mijn schouders opgehaald bij de gedachte dat je terugkomt in een ander wezen. Of dat er een hemel is, waar je aan lange tafels onder het genot van goddelijk eten kunt bijpraten met de dierbaren die je voorgingen. Dat gaat allemaal te veel uit van hoe het hier is. Nee, je valt uiteen, je wordt verzaagd, je moleculen worden verspreid, ze komen terecht in brandhout, krantenpapier, tuinhekjes, boekenkasten. En dan, achter je rug om, ontstaat er iets wat in de verte lijkt op wie je was. Je ego is er niet meer in terug te vinden, maar je beginsel wel. Van die bomen is niets meer over, behalve het beginsel van een boom: een stelsel van wegen waarover grondstoffen worden vervoerd, van de uiteinden naar de basis. De nieuwe vorm is pas waar te nemen als je afstand hebt genomen. Beneden tussen de omgehakte bomen zou je alleen kaalslag hebben gezien.


Boeiend vind ik de besprekingen vooral wanneer Aarsman de omstandigheden van een foto reconstrueert — behalve als daar te veel fantasie bij te pas komt, zoals die foto van de machtsovername op de Comoren (p. 119). Wat vertelt een kritisch onderzoek van een momentopname ons over het verhaal van voor, tijdens en na de foto?

Bij een foto van een dodelijk gewonde Amerikaan op een brancard in Bagdad:
Rechts vooraan steken twee scharen uit een zwart foedraal. Waar bij soldaten pistolen zitten, hebben hospikken scharen. Onder de brancard kronkelt een dikke rode slang. Een bloedtransfusie zal het niet zijn, dan had iemand een zak met bloed moeten hooghouden, hoger dan de gewonde, anders loopt het er niet in, de wet van communicerende vaten. Onder de linkeroksel van de gewonde loopt de rode slang naar zijn mond. De slang zuigt bloed weg uit de mond. Behalve op de arm van de gewonde zit nergens bloed, alleen bij die mond. Daar ergens moet een grote wond zitten. Er steekt nog een slang uit de mond, met een T-stuk waaraan een doorzichtige blauwe ballon is bevestigd. Dat zal de beademingsslang zijn, hij gaat de luchtwegen in, de witte tape houdt hem op zijn plaats. De blauwe ballon wordt bediend door de soldaat met het kogelvrije vest, hij gaat gedeeltelijk schuil achter de hospik die boven op de patiënt is gekropen.
Bij een voetafdruk van bloed:
Is het de voetzool zelf die bloedt? Nee, dan zou het rood niet gelijkmatig verdeeld zijn, rond de wond zou meer bloed zitten. Komt het bloed van hogerop, heeft het lichaam dat bij deze voet hoort ergens een gapende wond? Nee, in dat geval zou het rood óm het patroon van de voet zitten en niet erbinnen.
Er is een bom ontploft, 27 doden en 150 gewonden. Na de explosie zijn de mensen in paniek op de vlucht geslagen. Dan gaat er nog een bom af en nog een. Als in het Oosten een menigte mensen begint te rennen, zie je na afloop de straten bezaaid liggen met plastic slippers. Het schoeisel van de armoede, je kunt er niet meer rennen. Ze schieten vanzelf uit, op blote voeten verder. Overal bloed, plassen bloed. Je stapt erin, wat kan het schelen. Het was al donker toen de bommen ontploften, in het lantaarnlicht zag het bloed eruit als regenwater. De volgende ochtend vroeg zie een fotograaf je voetafdruk.
Lichtinval kan een belangrijke clue zijn:
Ik smolt toen ik dat jongetje in zijn pyjama zag zitten, zo bewonderend als hij opkijkt naar die marsbewoner in gevechtstenue. Hij is een beetje scheef gaan zitten om ongemerkt met zijn slipper een laars te kunnen raken. Het liefst was hij bij de soldaat op schoot gekropen. Er is iets vreemds met het licht. Hier brandt geen schamel peertje, zoals op andere foto’s van huiszoekingen in Irak, dit moet een flinke lichtbron zijn. Als het flitslicht is, komt het niet van de camera, dan zouden de schaduwen recht naar achteren lopen. Dit licht komt van rechts. Een draagbare studioflitser op statief, het lijkt wel in scène gezet gezet. Of ben ik te achterdochtig?
Waarschijnlijk hééft de fotograaf die deze foto maakte niet eens een flitser. De tientallen andere foto’s die ik van hem op internet vond, zijn allemaal gemaakt met bestaand licht. Aan de inrichting te zien hebben deze mensen het breder dan de gemiddelde Irakees, wie weet hebben ze een flinke plafonnière in de huiskamer.
Een reconstructie over het hoe en wanneer van een foto heeft dikwijls een gunstig effect op de betrokkenheid van de beschouwer. Zelfs plaatjes met van onder het puin gehaalde kindjes stompen na verloop van tijd af, tenzij je oog valt op de speen die aan het slabbetje genaaid is en je gedachten uitgaan naar het onschuldige tafereel net voor het dak van het huis naar beneden komt. Ergens vraagt Aarsman zich hardop af waarom echte gruwelbeelden zo weinig de krant halen. Om het publiek niet weg te jagen natuurlijk. Zonde.
De persbureaus blijven hardnekkig foto’s aanbieden van lichamen zonder hoofd, hoofden waar de hersens uithangen, weggerukte benen. Ik stop, anders laad ik nog de verdenking op me dat ik me eraan verlekker. Maar verlekkeren is het niet. Ik vind het een gemiste kans zulke foto’s niet te plaatsen. Want stel dat we ze regelmatig op ons bord kregen. We zouden niet ons abonnement opzeggen. Het dagelijks lijden in de wereld zou deel worden van een ons dagelijks bewustzijn. Op de journaals zouden we Amerikaanse soldaten horen schreeuwen van de pijn, in de kranten zouden we uiteengerukte lichamen zien na de zoveelste aanslag. Welk staatshoofd zou zijn lang dan nog een een zinloze oorlog in kunnen praten?
Ik zie ik zie maakte voor mij ook duidelijk wat een still voor heeft op een bewegende beelden. In het televisiejournaal onderlijnen de paar seconden Fatah-leden die we te zien krijgen vooral het makkelijk van je af te zetten cliché: het collectief oproer, de Arafat-sjaal, de M16. Bevroren beelden brengen de mens terug. "De dikke zou een snackbareigenaar kunnen zijn die achter de frituur is weggelopen. De jongen met de sjaal aan zijn geweer lijkt een student, zijn boeken liggen thuis nog open op tafel."

Maar uiteindelijk ontgoochelde dit boekje toch. Dat komt, uit een interview (Humo 3589) was Aarsman me bijgebleven als een onsentimenteel criticus met duidelijke ideeën over fotografie.
Je komt het overal tegen: in kranten, tijdschriften, fotoboeken, overal wordt de mooiste foto uitgekozen. En dat is de foto die het meest op een schilderij lijkt. Genre: schilderkunst uit de zeventiende eeuw. Zeg maar: de gulden snede, een bepaald soort licht en mooie luchten, Rembrandt en Caravaggio. Dat zeggen fotografen ook zo: ik ben beïnvloed door Caravaggio! Nou, dan heb je toch geen zak van het medium begrepen! 't Is maniërisme. 't Is een kunstje herhalen, meer niet.

[...]

Niks onschuld. Voorbedachten rade! Je loopt rond, je struikelt, je doet van alles, maar dan zie je ineens 'iets moois' en dán druk je op de knop. Je voelt toch dat iets wringt?!
[...]

De ergste zijn de fotografen van fotoclubs. Dat zijn ook amateurs, maar die voelen zich verheven boven de gewone huis-tuin-en-keukenfotograaf! Maar dat is... modeltreintjes bouwen. Alles is zo af, alles is zo gewild mooi dat het vervelend is. Fotografie is naar de wereld kijken.

[...]

Hans Bouman heeft een hekel aan afwassen en die hekel countert hij door elke avond zijn droogrekje te fotograferen, als een soort beloning na gedane arbeid. En je ziet een eetpatroon: slakommetjes, fondueborden, en op een dag staan er twee grote rooie borden bij, dan heeft-ie z'n ouders op visite gehad. Het mooie is: je ziet iemand bezig in zijn leven, en tegelijk doet het je anders kijken naar de dagelijkse rituelen in je eigen leven. Het is een antropologische benadering van de fotografie. En dan valt er zoveel te ontdekken. Met die soort fotografie krijg je een beeld van de samenleving anno 2009. En dat beeld zal over vijftig jaar belangrijker zijn dan al die mooie plaatjes van de schilderijtjesfotografie.
In Ik zie ik zie vallen echter geen ferme stellingen te noteren. Algemene beweringen over het medium zijn zelfs schaars.
Nog een paar jaar en ze [de camera’s] kunnen composities van beroemde fotografen herkennen. Zeker als het om vormvaste fotografen gaat, moet dat een koud kunstje zijn. Je laat een computer alle foto’s scannen van, laten we zeggen, Henri Cartier-Bresson en de grootste gemene deler daarvan stop je in een chip. Een camera met zo’n chip hoef je maar op je buik te hangen en hij neemt vanzelf een opname als er een Cartier-Bressonachtige compositie voor de lens verschijnt. Wil je een andere vorm, stop je er een andere chip in. Dat kan nog spannend worden. Tot nu toe zijn vorm en in houd aan elkaar gewaagd. Op goede foto’s kun je geen winnaar aanwijzen. Maar straks gaat vorm commercieel, je kunt hem kopen in de winkel, net als techniek. Wat zal er met inhoud gebeuren?

[...]

De ellende met portretfoto’s is: daar staat weer iemand voor je neus. Een schepsel met een ego. Ze stellen zich voor, ik ben die en die, ik wil gelukkig zijn. Ik wil een huis en een auto en een partner en erkenning. Gaat het goed met ze, dan hebben ze dat aan zichzelf te danken. Gaat het slecht, is het de schuld van een ander. Dat lees je allemaal in hun gezicht, de blik waarmee ze in de lens kijken.

[...]

Persfotografen kunnen zo’n intiem moment niet pakken. Die staan voor in- en uitgangen van gebouwen te posten tot de auto met de desbetreffenden voorbijkomt. Maar amateurs zijn overal, ze hoeven alleen maar te bedenken: dit is een foto.
En zo valt Ik zie ik zie tussen wal en schip. Tussen de brede essays van Hans Den Hartog Jager en de invoelende stukjes van Johan de Vos in. Laat Aarsman een thematisch boek uitbrengen, waarin bijvoorbeeld de gemeenplaatsen van krantenfoto's worden ontmaskerd.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> online columns van Hans Aarsman hier en daar

Hans Aarsman, Ik zie ik zie : de Aarsman collectie
175 p.
Uitgeverij Podium, 2009

____ fotokey

zondag 29 november 2009

The Magazineer

"The Magazineer is a blog about magazine design and print culture, written by people who love, and make, magazines."

> http://magazineer.com/

____

ResearchBuzz

"News about search engines, databases, and other information collections."

> http://www.researchbuzz.org/wp/

____

Overcoming Bias

"Overcoming Bias began in November ‘06 as a group blog on the general theme of how to move our beliefs closer to reality, in the face of our natural biases such as overconfidence and wishful thinking, and our bias to believe we have corrected for such biases, when we have done no such thing."

> http://www.overcomingbias.com/

____

CGArena

"Graphics and animation community for digital artists."

> http://www.cgarena.com/

____

Retro To Go

"A guide to all things hip and retro."

> http://www.retrotogo.com/

____

vrijdag 27 november 2009

Dagboek van een lezer - Alberto Manguel

Het kan niet anders: veellezers zijn voor een groot stuk plezierlezers. Daarom is het jammer dat we veellezers vaak alleen kennen in hun hoedanigheid van beroepslezer. In afstandelijke recensies dus, of in uiterst verantwoorde monografieën. Niet iedereen krijgt immers carte blanche in een column, zoals Michael Dirda, of kan opgeld maken als de vleesgeworden belezenheid en daarom met goed gevolg een leesdagboek publiceren, zoals Alberto Manguel.

Dagboek van een lezer draait om niet meer dan twaalf boeken. Een jaar lang herlas Alberto Manguel elke maand een titel uit de canon waaraan hij bovengemiddeld goede herinneringen had. Bevindingen en associaties werden daarbij vrijuit neergeschreven, zonder veel zorg om samenhang.

Zoals in een echt dagboek dus: was Manguel niet zo belezen, dan hadden die aantekeningen een waarheidsgetrouw beeld gegeven van wat een gemiddelde lezer doormaakt — waarheidsgetrouwer dan de zoveelste essayist die er, na grondige research, de halve cultuurgeschiedenis bijhaalt. Maar Manguel is belezen en denkt haast uitsluitend in termen van boeken en schrijvers:

Voor mij is Buenos Aires tegenwoordig een stad vol geesten. Gombrovicz, die eind jaren dertig uit Polen naar deze stad kwam en er vierentwintig jaar later wegging, schreef aan boord van het schip dat hem voor altijd wegvoerde: ‘Argentinië! In mijn dromen probeer ik het met halfgesloten ogen in mijzelf terug te vinden — uit alle macht. Argentinië! Het is heel vreemd en het enige dat ik wil weten is: waarom had ik die hartstocht voor Argentinië nooit in Argentinië zelf? Waarom overvalt deze me nu, nu ik ver weg ben?’ Ik begrijp zijn verbijstering. als een tot ruïnes vervallen stad uit de Oudheid achtervolgt ze je vanuit de verte. Hier is het verleden aanwezig in lagen, generatie na generatie van geesten: de mensen uit mijn jeugd, mijn verdwenen klasgenoten, de gehavende overlevenden.

[...]

Op de tweede bladzijde van Dr. Moreau is er sprake van een schoener die uit Afrika vertrekt met een poema aan boord, en plotseling denk ik aan mijn eerste boek van Karl May, De schat van het Zilvermeer, dat ik las toen ik zes was; ik werd meegesleept door de openingsscène waarin een panter uit zijn kooi ontsnapt aan boord van een schip dat een Noord-Amerikaans meer oversteekt. In mijn herinnering komen beide scènes overeen.

[...]

De straat in Soho buiten mijn raam is ongelooflijk rumoerig, waarschijnlijk is er even veel herrie als toen Hazlitt er logeerde. Het geluid doet aan dieren denken, een gedachte die me ongetwijfeld is ingegeven door de roman van Wells. Als ik niet wist dat ik in een stad was, had ik me misschien snuiten of snavels voorgesteld bij het verschillende gekrijs, gesnater, geratel, gegrom, gekakel en gegrauw dat ik hoor. Het lawaai is gemengd met de stinkende hitte die uit het plaveisel opstijgt. Londen is in juli niet op zijn voordeligst. Wat Londen betreft houd ik van Swifts vervloeking in zijn Stella-dagboek: ‘Moge mijn vijanden hier in de zomer wonen!’

[...]

Voor mij heeft geen enkele Duitse stad (Döblins Berlijn noch Thomas Manns Lübeck) ooit de werkelijkheid gehad van Conan Doyles Londen: de gasverlichte kamers aan de Baker Street, de gevaarlijke, kronkelende straten, de voorname, in mist gehulde huizenblokken. Jaren later reisde ik naar Londen, ervan overtuigd dat ik die gedenkwaardige plaats nu eindelijk met eigen ogen zou zien. Mijn eerste goedkope zitslaapkamer boven een fish-and-chipsrestaurant hielp me uit de droom.

[...]

Ik heb de indruk dat ik na mijn puberteit niets meer heb geleerd. De ontdekkingen die ik vóór die tijd heb gedaan, zijn degene die standhouden; de rest lijkt triviaal, een bijzaak of op zijn hoogst een voetnoot. Kipling heeft het over ‘die eerste stormloop van door zon en de omgeving ontwikkelde geesten, maar ook… het halve verval dat inzet zodra je twee of drieëntwintig bent.’
Een boek, kortom, dat veel beloofde. Maar dat niettemin begon met een narcistische krenking: ik lees weleens een boekje, maar Manguel leek zowat blindelings de gaten in mijn bagage te hebben gevonden.

Morels uitvinding – Adolfo Bioy Casares
Het eiland van dr. Moreau – H.G. Wells
Kim R. Kipling
Memoires van over het grafFrançois-René de Chateaubriand
Het teken van de vierArthur Conan Doyle
Natuurlijke verwantschapJohann Wolfgang von Goethe
De wind in de wilgenKenneth Grahame
De woestijn van de Tartaren – Dino Buzzati
Don QuichotMiguel de Cervantes
Het hoofdkussenboek van Sei Shonagon
Sei Shonagon
Boven waterMargaret Atwood
Postume herinneringen van Brás CubasJoaquim Maria Machado de Assis

En helaas, wat hij over die boeken zegt was me te fragmentarisch om comfortabel te kunnen volgen — hoewel dat impressionisme best verdedigbaar is:
Ik houd er niet van als mensen boeken navertellen. Je kunt me verleiden met een titel, een scène, een citaat, ja, maar niet met het hele verhaal. Mede-enthousaistelingen, kreten op het stofomslag, leraren en literatuurgeschiedenis vergallen veel van ons leesgenot door de intrige te verraden. En naarmate je ouder wordt, kan je ook je geheugen veel bederven van het plezier om niet te weten wat er gaat gebeuren. Ik kan me nauwelijks meer herinneren hoe het was om niet te weten dat Dr. Jekyll en Mr. Hyde dezelfde persoon waren of dat Crusoe vrijdag zou ontmoeten.
Mijn notities van 2006 overschouwend zie ik dus vooral Manguels algemene bemerkingen over lezen te hebben overgenomen. Op die manier merkte ik vaak een totaal andere lezer te zijn dan mijn Argentijnse collega.

Ik heb om te beginnen een ondermaats geheugen. Als ik tijdens het lezen al boeken met andere boeken associeer, gebeurt dat op basis van een zeer oppervlakkige inhoudelijke gelijkenis, een gelijklopende sfeer of een identiek vertelperspectief. Manguel is echter zo'n lezer die een jaloersmakend aantal concrete scènes en motieven van hoofdpersonages paraat heeft zitten, en zich in de wereldliteratuur even goed thuisvoelt als een spin in haar web. Zie ook: Piet de Moor.

Hoewel, Manguel vertoont trekjes van een normale sterveling. Soms. Wat hem van Chateaubriand is bijgebleven is toch vooral de toon van diens memoires, en de omvang. Manguel werkt zich eerst door zijn potloodaantekeningen achterin de twee Pléiade-deeltjes, om zich beter op zijn gemak te voelen in die meer dan tweeduizend bladzijden. En lezend in Don Quichot, gaat hij op in de landschappen die Cervantes heeft geschapen, de levensechte personages, en let hij nauwelijks op de verhaallijn. Dagboek van een lezer is al bij al een pleidooi voor eigengereide lectuur.
We lezen wat we willen lezen, niet wat de auteur geschreven heeft. In Don Quichot interesseert me niet zozeer de wereld van het ridderschap, maar meer de moraal van de held en zijn eigenaardige vriendschap met Sancho. In De wind in de wilgen houd ik veel minder van Pad dan van Rat, Mol en Das. Bij Kiplings Kim ben ik absoluut niet geïnteresseerd in het grote spel, dat kinderachtige spionageverhaaltje, maar raak ik in de ban van de respectievelijke zoektochten van Kim en de lama en van de schitterende weergave van een mij onbekende wereld.
Manguel is er trouwens de persoon niet naar om hoog op te geven over literatuur an sich, toevallig omdat dat intellectueel zo goed staat. Akkoord, hij doorsnijdt zijn lectuur expliciet met nieuwsberichten over de inval van de VS in Irak en "het Amerikaanse ministerie van desinformatie" — literatuur, lijkt hij daarmee te willen zeggen, staat daar haaks op, want bestaat juist uit taal die integriteit betracht. Maar voor de rest is lezen voor Manguel een rustig, individueel genot zonder verplichtingen. Hij stelt liever een nieuwe anthologie spookverhalen samen, dan een syllabus met hooggestemde kritiek. Is liever voorproever dan profeet.

Hij is bovendien niet bang zich te profileren als de ietwat clichématige melancholische lezer, die razend wordt als ons tijdsgewricht bokkensprongen maakt en vaste punten wegneemt — vrienden, landschappen, namen, wijkplaatsen. Als Manguel uit zijn raam een paar tortelduiven ziet die steeds maar weer op dezelfde plek landen op de til, associeert hij dat met zijn eigen plezier in herhaling — een van de redenen waarom hij ook van lezen geniet.

Want boeken lopen niet weg. Scripta manent. En voor een lezer is het herhalen van woorden — Manguels voorliefde voor citaten en het oprakelen van trivia — misschien wel een logische reflex om dat gegeven te celebreren.
Waarom zou je eigenlijk een dagboek bijhouden? Waarom al die aantekeningen maken? De mysterieuze heerser over het eiland, Morel, legt uit waarom hij zijn herinneringen vast wil leggen: ‘Om eeuwige werkelijkheid te verlenen aan mijn sentimentele fantasie.’

[...]

Ik las gisteren in de biografie van Max Brod dat Kafka een hekel had aan Balzac en met afkeuring het motto zag dat Balzac op zijn wandelstok had staan: ‘Je casse tout obstacle’ (‘Ik verbrijzel elke hindernis.’). Kafka zei toen dat zijn motto was: ‘Elke hindernis verbrijzelt míj.’

[...]

Cocteau in zijn dagboek: ‘Onzichtbaarheid lijkt mij een voorwaarde voor verfijning.’

[...]

Ernest Bramah, in De gouden uren van Kai Lung: ‘Je kunt nauwelijks te verwachten dat iemand die zijn hele leven onder een officiële paraplu heeft doorgebracht, over fijnzinnige analogieën van licht en schaduw beschikt.’

[...]

Kierkegaard: ‘De meeste mensen geloven echt dat de christelijke geboden (zoals het liefhebben van je naaste als jezelf) met opzet iets te streng zijn geformuleerd — zoals wanneer je de wekker een half uur vóór zet om er zeker van te zijn dat je ’s morgens niet te laat zult komen.’

[...]

Misschien moeten we ervoor zorgen dat onze heersers en goden boos kijken. Volgens Julien Green was in de achttiende eeuw in Schotland het woord ‘wrath’, toorn, zo vaak van het kansel te horen, dat een drukker van preken door zijn voorraad w’s heen raakte en in plaats daarvan 2 v’s moest gebruiken.

[...]

Als de Duitse ouders van mijn vrienden en verschil van mening hadden, riep degene die op het punt stond de discussie te verliezen altijd: ‘“O aza nar,” sagt Goethe”’ (‘O, je bent een dwaas’, zegt Goethe) waarop de ander reageerde met: “Nebisch,”’ sagt Schiller’ (‘Uilskuiken,’ zegt Schiller) en dan eindigde de ruzie met een verkwikkende lach.

[...]

Bioy Casares herinnerde zich dat de Argentijnse schrijver Enrique Larreta hem eens had verzekerd ‘dat zijn intelligentie zo alert was dat het hem onmogelijk was om te lezen; elke zin leidde tot zoveel nieuwe ideeën en beelden die hem door de werelden van zijn eigen geest voerden, dat hij de draad kwijtraakte van het verhaal dat hij aan het lezen was.’

[...]

Het woord ‘nostalgie’ werd op 22 1688 bedacht door Johannes Hofer, een student medicijnen uit de Elzas, die in zijn proefschrift, Dissertatio medica de nostalgia, het woord nostos (‘terugkeer’) met het woord algos (‘pijn’) combineerde om de ziekte te beschrijven van Zwitserse soldaten die ver van hun bergen moesten verblijven.
Dagboek van een lezer was prettig gezelschap, al bleef de nettowinst beperkt. Eén: ik heb een paar boeken toevoegd aan mijn wenslijstje. Twee: Manguel bood me nieuwe sleutels aan om mensen te begrijpen die verslingerd zijn aan Goethe.
Goethe lijkt wel altijd aan het denken te zijn; zijn geschriften zijn op geen enkel punt louter een verhaal, er is altijd ook een bewust, gearticuleerd denken dat de hele ruimte vult, als de geur van gebakken uien. Ik geniet van deze alomtegenwoordigheid; een personage kan niet het geringste gebaar maken zonder dat dit tot een bespiegeling leidt wanneer het door de alziende blik van deze kleine god wordt opgevangen

[...]

Misschien is die lacune in de Engelssprekende wereld ontstaan doordat Goethe cultureel benaderd moet worden: je moet hem niet boek voor boek tot je nemen, waarbij je zijn geschriften voorzicht met je grote teen peilt, maar je moet je volledig in hem onderdompelen, in de grote vloed die hij had, zijn oceanische blik. ‘Ik zal jullie een hoop goethen,’ zei onze leraar op de eerste schooldag aan de Pestalozo Schule (de Duitse school in Buenos Aires die ik een jaar lang heb bezocht) en hij liet ons ‘Erlkönig’ uit ons hoofd leren, en ‘Es war ein König in Thule’ en ‘Gingo Biloba’.

[...]

Nietzsche, zelden gul met lof, vond Goethe uniek, verheven boven alle nationaliteiten en elke nationale literatuur. ‘Goethe,’ schreef hij in Menselijk, al te menselijk, ‘is niet alleen maar een goed en groot mens, maar een beschaving op zichzelf.’ Als dat zo is, dan kun je Natuurlijke verwantschap, dat hij in de laatste jaren van zijn leven schreef, lezen als een etiquettehandboek voor de goetheaanse beschaving.
Mijn favoriete notitie, tot slot, betreft de 'sentimentele bibliotheek' die Manguel bij elkaar verzint: boeken met een bijzonder anekdotische waarde. Het levert het soort lijstje op (een van de vele in dit boek) waar Umberto Eco het patent op leek te hebben in zijn columns — even geestig als erudiet:

- Het exemplaar van Alice in Wonderland van Alice Liddell
- De Boilieu die Gide las toen hij de Congo afvoer
- De Cicero van Augustinus
- Het exemplaar van Leaves of grass dat Walt Whitman aan zijn minnaar, Peter Doyle, gaf
- Chapmans Homerus van Keats
- Wallace Stevens' geannoteerde exemplaar van de gedichten van Keats
- De Aristoteles van Averroës
- Het exemplaar van De gedaanteverwisseling dat Kafka aan zijn vader gaf
- Mishima's exemplaar van Une saison en enfer
- De Dante van Akhmatova, met haar eigen aantekeningen
- John Gielguds exemplaar van De storm
- De Amadís die van Cervantes is geweest
- Het exemplaar van de gedichten van Heine waarmee Borges Duits heeft geleerd
- Freuds exemplaar van Gentlemen prefer blondes

(Gebaseerd op notities van 13 mei 2006)

> bibliografie in de commentaren hieronder
> meer Manguel op Achille: De bibliotheek bij nacht

Alberto Manguel, Dagboek van een lezer
231 p.
Uitgeverij Ambo, 2004
Oorspr. A reading diary (2004)
Vertaald door Patty Adelaar

____

donderdag 26 november 2009

Biecht van een amateur

Het internet is grillig terrein, waar sluipschutters in alle ano- of pseudonimiteit hun gangetje kunnen gaan. Reaguurders worden de uitwassen onder hen genoemd, of trollen: mensen die aanhoudend en zonder argumentatie nare dingen schrijven. Het is ook een moeilijke discipline, meneer, dat argumenteren.

Reaguren blijft overigens niet beperkt tot wat onbeleefde mensen het vulgus noemen. Een Nederlandse auteur van wie ik een aantal boeken uitvoerig — en niet eens onwelwillend — besprak, liet een korte notitie achter die je eerder uit de mond van de Albanese mafia verwacht, dan van een respectabel schrijver. (Dat het ook anders kan, bewijst weer een andere Nederlandse schrijver, over wiens columns ik streng oordeelde, maar die op zijn website prompt een link plaatste naar AvdB.)

Kritiek zonder opgaaf van redenen doet me niet zoveel. Ik word vooral ongemakkelijk als dit weblog lof wordt toegezwaaid. Het hartverwarmende maakt dan algauw plaats voor de vaststelling dat ook die goedbedoelde reacties meestal verstoken zijn van argumenten. Of dat de argumenten niet deugen. Meestal heeft iemand oppervlakkig notitie genomen van de veelheid en uitvoerigheid van mijn besprekingen. (In een extreem geval verwart een journalist van een 'kwaliteitskrant' zelfs het aantal postjes met het aantal besprekingen.)

Maar lengte en kwantiteit kunnen nooit een criterium zijn. Dat de meeste besprekingen hier uitvoerig uitvallen, heeft juist te maken met het liefhebberskarakter van dit weblog. Het zijn teksten die worden geschreven door iemand die voor zichzelf samenvat wat hij wil onthouden van een boek — informatie om later op terug te vallen. Door iemand die niet maalt om de spankracht of de attractiviteit van een tekst. Lengte is geen kwaliteit. Lengte doet de meeste bezoekers juist afhaken. Een echte pro houdt immer de leesbaarheid in het oog. Ik ben een verstokte amateur.

Zeker bij informatieve boeken verdringt de samenvatting op Achille van den Branden ruimschoots het kritisch oordeel of de eigen bijdrage. Voor een goed deel is dat bescheidenheid. Ik hoef niemand lesjes te leren over een onderwerp waarin ik zelf onvoldoende ingelezen ben. De samenvatting is gewoon de bagage waarmee ik het volgende boek daarover wil aanvatten. Achille van den Branden is een openbaar werkschrift. Ik schrijf over de boeken die ik lees om mezelf, soms door scha en schande, te ontwikkelen.

De eerste maatstaf waarop een boekbespreking moet beoordeeld worden is de mate waarin de recensent zaken optekent die eigen vinding zijn, die het boek duiden en die uitmonden in een beargumenteerd oordeel. Met andere woorden, zaken die

1] niet te herleiden zijn tot de biografie van de auteur
2] losstaan van de receptiegeschiedenis van dat ene boek
3] geen parafrase zijn van de korte inhoud
4] geen citaat zijn om de inhoud of een bewering te illustreren

Inderdaad: laat dat nu de maatstaf zijn waarop dit weblog laag scoort. Willens en wetens laag scoort, want het is nooit de bedoeling de beste recensie te schrijven die ik in me heb. Met dit weblog wil ik in de eerste plaats mezelf van dienst zijn. Dat werkt: na ruim vijfhonderd recensies lukt me nog altijd probleemloos vier besprekingen per week af te scheiden. Egoïsme duurt het langst.

Welke elementen een recensie dan wel waardevol maken? Dat zijn volgens mij de antwoorden op de volgende vragen (in willekeurige volgorde):

1] waar situeert het boek zich in het oeuvre van de auteur?
2] hoe verhoudt het boek zich tot een bepaalde literaire traditie: wat zijn de gemeenplaatsen van het genre? wat is de originele bijdrage van de auteur?
3] wat is de originele bijdrage van de auteur tout court, los van stilistisch vernuft?
4] waar zitten, bij een waarheidsgetrouw bedoeld boek, de onwaarschijnlijkheden? waarom is het boek (on)geloofwaardig?

Maar zelfs de optelsom van deze elementen (die objectiever in te vullen zijn dan velen menen) volstaat niet. Subjectiviteit blijft het cement. De persoonlijkheid van de recensent moet voldoende krachtig zijn om alles op smaak te kunnen brengen. De bespreker moet een boek door zijn hoogstpersoonlijke emotionele en intellectuele filter halen. Een pittige, zij het niet modieuze taalbeheersing ligt onvermijdelijk in het verlengde daarvan.

Als hij ook nog eens eerlijk blijft, en niet te beroerd is om aan te geven welke de vooroordelen of wensen zijn ten aanzien van het te lezen of gelezen boek, schrijft hij per definitie een waardevol stuk.

Soms denk ik dat het mij aan persoonlijkheid ontbreekt. Ik heb maar weinig zekerheden. Houd van zeer veel verschillende boeken. Als ik lees ben ik een hol vat dat volloopt met het geschrevene. Dus kan ik 'vol zijn' van boeken die haaks op elkaar staan. Een vast kader om boeken vanuit te beoordelen heb ik niet. Schrijven over lezen is voor mij dan ook schrijven over een momentopname. Het weblog is daarvoor een perfect medium.

Ook al omdat ik bij een eerste leesbeurt goed vaart maak. Ik lees een boek op één of twee avonden uit. De avond daarna tik ik mijn aantekeningen over en verzamel ik representatieve passages. Als de tijd rijp is schrijf en publiceer ik de eigenlijke recensie.

Ik leg mezelf één discipline op: de recensie moet in een halve dag zijn beslag krijgen. Tijdens de middagpauze op zijn minst de ruwbouw, 's avonds eventueel de finishing touch. Een bespreking op dit weblog moet dan ook niet meer willen zijn dan een impressie van en medidatie over die oorspronkelijke leeservaring, weliswaar ingebed in een korte synopsis en — indien ik daar zelf iets van opsteek — biografische informatie.

En toch knaagt het soms, en wil ik een recensie schrijven louter opgebouwd uit vaststellingen die niet zomaar te herleiden zijn tot een parafrase van de korte inhoud. De analyse van De kleurenvanger, hieronder, is een voorbeeld van hoe een bespreking er zou uitzien als ik wat meer mijn best zou doen. Voor de verandering een tekst waar ik drie avonden aan heb gewerkt, in plaats van anderhalf uur, tussen twee boterhammen door. Om het verschil te tonen met het dagelijkse haastwerk, en om te tonen dat ik wel meer kan dan citaatrijgen.

Langer dan drie dagen besteden aan een boek, kan ik op vrijwillige basis niet opbrengen. Ik droom er weleens van me een paar weken met een heel oeuvre te isoleren en daar een definitief stuk over te schrijven van tienduizend woorden, zoals Hans Goedkoop dat zo goed kon. Maar daar zou een bom duiten moeten tegenoverstaan. Wat me eens te meer ontmaskert als amateur.

____

woensdag 25 november 2009

De kleurenvanger - Peter Verhelst

Ik ken genoeg meisjes die dwepen met Peter Verhelst, maar dat zijn stuk voor stuk bleke, difficile, Chantal Pattyn-achtige types. De kleurenvanger werd me voor de verandering eens aangeraden door een mooie, opgeruimde vrouw zonder gevoel voor culturele correctheid. Werd ik toch weer nieuwsgierig. Welnu, De kleurenvanger is een extreem boek dat ook bij mij extreme reacties opriep. Er waren een paar dagen nodig om die allemaal op een rij te hebben.

1
Ooit, ik was nog een snotaap, beet ik mijn tanden stuk op de boeken van Peter Verhelst. Ik las Het spierenalfabet en Tongkat met beleefde bewondering, zonder echt na te voelen waar de schrijver op uit was. Inmiddels vind ik 'm misschien wel de meest oorspronkelijke schrijver die we hebben. Postmodern gepuzzel zegt me nog altijd bijzonder weinig, maar de schaamteloze zoektocht van Verhelst naar het absolute kent zijn gelijke niet in de Lage Landen, zeker niet in deze tijden van ironie en sarcasme. Die eigenzinnigheid kan niet genoeg geprezen worden.

Mocht men mij tekst en uitleg vragen waarom ik als een blok voor De kleurenvanger ben gevallen, dan zou ik beginnen en eindigen met het woord: devotie. Voor mij is Verhelst bovenal een devoot schrijver, zoals Hadewych en Jan van Ruusbroec dat waren in de middeleeuwen. Het is religie, maar niet in kwezelachtige zin. Met devotie wordt doorgaans de toewijding bedoeld aan een hogere macht of waarheid via een ingenieuze set van rituelen. Devotie is geen theorie maar een mentaliteit: de bereidwilligheid zich over te geven, zich totaal weg te schenken aan Iets of Iemand. Voor vele gelovigen ligt in devotie de kern van hun geloofsbeleving, en niet in leerstellingen of kerkelijke instituten.

Het absolute waar de personages van Verhelst naar streven neemt evenwel niet de gedaante aan van een opperwezen. Zij streven naar iets abstract. Naar Het Volmaakte: volmaakte schoonheid, volmaakte bevrediging van hun verlangens, volmaakte versmelting met elkaar (de jongen en het meisje, de hybride zeemeermin), de volmaakte vorm van woorden (opdat zij vlees zouden worden), volmaakte overgave aan zintuiglijk genot. Het is alsof de mensen die deze romanwereld bevolken, naar het woord van Oscar Wilde, ‘aan alles kunnen weerstaan, behalve aan de verleiding’.

2
Natúúrlijk wordt hun streven gefrustreerd, anders was er geen roman. De figuren van Verhelst zitten aan hun lichamelijkheid vast en kunnen nooit het absolute bereiken. Het concrete kan nooit abstract worden. De versmelting vindt niet plaats, want een deel kán logischerwijs nooit samenvallen met het geheel — de tragedie van elke mysticus. En omgekeerd kent een idee dat in het hoofd van een mens leeft nooit een perfecte uitvoering in de realiteit.

De kleurenvanger steekt vol grandioze desillusies. Het punt waar het onmogelijke even mogelijk lijkt te worden, gaat bij Verhelst altijd gepaard met plotse vernietiging. Wanneer iemand op het punt staat de perfectie te bereiken slaat het voorwerp van zijn streven prompt om in zijn tegendeel. De mannelijke castraatzanger zingt als een meisje, maar wordt wel onvruchtbaar. De verrukkelijke aardbei verdwijnt wanneer zij wordt opgegeten. De jongen en het meisje krijgen elkaar op het eind van de roman, maar in twijfelachtige omstandigheden.

Aan de oppervlakte is De kleurenvanger het verhaal van de eindeloos uitgestelde reünie van twee geliefden. Een rusteloze, haveloze jongen ontmoet tijdens een van zijn nachtelijke omzwervingen een meisje waarvoor hij een hevige liefde opvat. Maar even later raakt hij haar al kwijt. Aan de dood, zo lijkt het. Het meisje valt van een brug, in de Brugse reien. Meesterlijk beschrijft Verhelst dat kantelmoment.

Twee mannen en één jongen, kijkend naar een meisje dat als een vogel op de leuning van een brug zat.
Hoe lang duurt een val?
Lang genoeg om eraan te sterven.
Toen ze wankelde, schoten zes armen op haar af.
Viel ze? Werd ze geduwd?
Ik denk dat ze sprong.
Eén ding is zeker: angst geeft geen vleugels.
Na een korte periode van rouw trekt de jongen de stad uit. Hij moet het verleden achter zich laten, de politie zit achter hem aan en daarom onderneemt hij een trip door Europa, even stuurloos als tevoren. Wat de jongen niet weet is dat het meisje, meermin geworden, hem vergezelt op zijn dwaaltocht. Als een soort beschermengel geeft ze hem vanuit rivier, zee en riool de nodige rugdekking. Overbodig is dat niet: tijdens zijn voetreis ontmoet de jongen een hele stoeterij aan kunstenaars die allemaal geobsedeerd zijn door het thema van, jawel, de vernietiging.

3
De grote verdienste van Verhelst is dat hij een frisse, van gezondheid blakende vorm gevonden heeft om levensgrote verlangens uit te drukken. Hij bedient zich niet van religieuze terminologie of melige symboliek, hij raakt gelukkig ook niet verstrikt in de kromspraak van de new age-beweging, neen, zijn voornaamste troef is zijn weergaloze, aan poëzie grenzende proza. Verhelst schrijft dingen die je van je leven niet meer vergeet. Hij maakt beelden die in je netvlies blijven gebrand. Het knappe: hij doet dat in korte, efficiënte zinnetjes. De twee geliefden “wrijven elkaar als twee messen scherp”. Iemand berouwt het zijn hart niet te kunnen “afsluiten als een gaskraan”. Het verleden is alleen verteerbaar als je het “plet onder scherpe hakken”. De zon “ontploft boven het hoofd” van de jongen, ’s nachts prijkt “het glanzende oogwit van de maan” aan de hemel. Driehonderd bladzijden houdt Verhelst dat niveau vol, vijf uur lang neemt hij de lezer in hechtenis. Moeiteloos.

De kleurenvanger pompt ook nieuw bloed in de traditionele verschijningsvormen die devotie kan aannemen. Kapelletjes: de rode tranen van het madonnabeeldje in Civitavecchia. De processie in verschillende staties: het koppel legt een reis af langs vijf Europese steden (Brugge, Barcelona, Berlijn, Bordeaux, Venetië). De rozenkrans: de vijf steden vormen ook geografisch een vijfhoek (Verhelsts voorliefde voor het pentagram), maar de vijfhoek wordt niet gesloten. De trip eindigt niet waar ze begon, maar blijft steken in Venetië, het buitenbeentje, de enige stad die niet begint met een ‘B’. De bedevaart: Verhelst suggereert ergens dat het graf van de castraatzanger spoedig een bedevaartsoord zal worden. De Heilig Hartverering: het hart staat centraal in een paar scènes in De kleurenvanger (“Als je hart geroofd wordt, implodeert je borst.”)

Maar het mooiste beeld dat Verhelst aandraagt — en dat opnieuw verband houdt met een concept dat, wanneer het zijn volmaakte vorm heeft gevonden, omslaat in zijn tegendeel — is dat van het kleurenpalet. De volmaakte kleur blijkt uiteindelijk... wit te zijn. Verhelst laat zijn held aankomen in het dorpje bij het klooster van Bernardus van Clairvaux. Een kale zandvlakte strekt zich voor hem uit. In het dorp verneemt hij dat

Bernardus van Clairvaux zijn broeders had bevolen elke boom, elke struik en elk grassprietje te laten verdwijnen. En zo gebeurde. Toen alles verdwenen was, strooide Bernardus eigenhandig marmergruis over de vlakte. Wit marmer. Gods enige kleur, zei hij. Zwijgend stonden de dorpsbewoners te kijken hoe de abt Gods zaad over het zand uitzaaide. Combineer die witheid met zon. Wat je krijgt, is verblinding. ‘Nee,’ antwoordde Bernardus. ‘Wat je krijgt, is God. Kleuren maken blind. God laat je zien. (...) Kleur is een substantie. Het is de smetstof van de duivel. Satan hijzelve schoot als een wervelwind door de wereld met een verfdoos in zijn handen. Hij doopte er zijn staart en sloeg die als een kwispel over alles uit. Daardoor benam hij het uitzicht op het wezen van de dingen. We moeten overal de kleuren van wegkrabben voor we iets kunnen zien.’

'Südliche Gärten', Paul Klee, 1919

4
De kleurenvanger is een gloedvol pleidooi voor het vertellen van verhalen. Niet het verhaal als middel om kennis over te brengen, maar als middel tot intimiteit. Verhelst laat de jongen converseren met zijn eigen schaduw; samen houden ze ellenlange dialogen, “op pare dagen over verheven en op onpare dagen over triviale onderwerpen”. Wanneer de jongen het meisje ontmoet, gaan ze op warme stenen liggen, wijzen ze sterrenbeelden aan en vertellen ze elkaar verhalen. De een begint het verhaal, de ander maakt het af. En verderop in de roman, in het ziekenhuis, smeken de verpleegsters de jongen om verhalen te vertellen. Wanneer hij door de politie wordt opgepakt toont hij zich bewust van zijn talent.

Wat willen ze? De waarheid? Ik kan de waarheid verzinnen. Ik kan verhalen verzinnen. Desnoods kan ik het vlees opnieuw woord laten worden.
De kleurenvanger is daarmee ook een pleidooi voor de esthetiek van verhalen an sich, en de overtuigingskracht die daaruit voortspruit. Er is het prachtige verhaal van de gek in de dierentuin van Moskou die met een metaalschaar de kooien van de papegaaien had opengeknipt. Van de man die in Frankrijk beroemde doeken overschildert met zwarte verf. Van de Spanjaard die branden vastlegt op film. Van de tragische castraatzanger Alessandro Moreschi. Van Michelangelo, die in een van de mooiste intermezzi van De kleurenvanger al zijn beroepsgeheimen opbiecht.

Alleen de belangrijke rode draad, die van de lijmstokman, die alle kleuren van de wereld najaagt en vastzet in de raten van zijn bijenkorf, vond ik van mindere kwaliteit. De herinnering aan Patrick Süskind en zijn achttiende-eeuwse geurenvanger Jean-Baptiste Grenouille zat me in de weg, geloof ik. Dat beiden, Grenouille en de lijmstokman, nog het laatste exemplaar in hun collectie ontberen en dat aan een jong meisje moeten zien te ontvreemden, is al te toevallig. Ook stilistisch is er verwantschap. De hiernavolgende passage kan zo in Het parfum (1985):

Wie eenmaal de zee heeft getekend, kan niet zonder water. Toen ik opnieuw voet aan land zette in Europa, schafte ik me een boot aan. Een middelgrote binnenvaarder.
Het ruim was mijn kleurenkelder. Daarin wilde ik alle kleuren van de wereld opbergen. Voorts waren er nog vier kajuiten en een keuken. De kleinste werd mijn slaapkamer. In de tweede stond mijn kleurenkorf en de derde was mijn chemische kamer. De laatste was leeg.
Mijn leven was eenvoudig. Ik meerde aan, ging aan land en verzamelde zoveel mogelijk kleuren. ’s Nachts verwerkte ik die tot pigmenten in de chemische kamer. De volgende dag classificeerde ik ze in de kleurenkelder. Daarna rustte ik wat en bracht de dag door met het uitstippelen van mijn reisroute.
5
Ik blijf zitten met de vraag of De kleurenvanger tot iets kleiners te herleiden valt. Een idee, een boodschap, een clue. Een slotsom die het boek hanteerbaar maakt, omdat je haar jaren later nog voor de geest kan halen. Ik heb er het raden naar. De verzamelde verhalen in De kleurenvanger doen denken aan de zuurstokkleuren van een circustent, oplopend naar een uitgespaard middelpunt — het ronde gat van de tent. Aan een stralenbundel met een kern te fel om recht in te kunnen kijken. Verhelst gebruikt zelf het beeld van de polyhedron.

Een driedimensionale geometrische figuur, die samengesteld is uit vijfhoeken en driehoeken die in elkaar passen en bijna een volmaakte bol vormen. Die polyhedron doet me altijd denken aan zo’n spiegelbol aan het plafond van het danshuis in ons dorp. Het verandert banaal licht in sterren. Ik vind het een mooi beeld voor Da Vinci: veelkantig, ongrijpbaar, oplichtend en op een verrukkelijke manier nutteloos en onuitstaanbaar. Even nutteloos en onuitstaanbaar als ik.
Daarom, omdat mij op school altijd werd geleerd te zoeken naar plot en samenhang, is het lezen van De kleurenvanger ook een oefening in onthechten. Verhelst dwingt me te genieten van het moment. Zijn zinnen zijn hevige, kortstondige sensaties die je één voor één moet ondergaan. Traag. Af en toe denk je je vinger te leggen op een overkoepelend verhaal, maar kort daarna smelt het alweer in je warme handen. Het hele boek ondermijnt je gevoel voor richting, doet je in het duister tasten.

Dat werkt: geblinddoekt wordt je tastzin aangescherpt. Na het dichtslaan van het boek ziet de wereld er mooier uit. Intenser. De kleuren om je heen lijken beter doorbloed. Geluiden klinken ineens loepzuiver. Alsof Verhelst het stof uit je ogen heeft geblazen, je oren hernieuwde instructies heeft gegeven. Je haalt diep adem, blij met dat herboren gevoel voor gewicht, textuur, vorm.

Om door te gaan op dat plastische: het hoeft niet te verbazen dat Verhelst zich aangetrokken voelt tot alles wat vloeibaar is. Smelten, en elk werkwoord dat een soortgelijke metamorfose inluidt, zijn geliefde keuzes in zijn lexicon. Opnieuw een uitnodiging aan de lezer om zijn zintuigen te gebruiken: want alleen wat vloeibaar is kan je smaken. Eén interludium gaat trouwens over Leonardo da Vinci, de uitvinder van het sfumato, een schildertechniek waarbij kleuren geleidelijk in elkaar overvloeien en zo hun contouren verliezen.

Al even vormeloos zijn de twee ik-personen die van Verhelst om beurten het verhaal mogen vertellen. Biografische gegevens over het jongen en het meisje komen we amper aan de weet. Wat telt, het enige waar de lezer echt mee in contact komt, is hun hypnotiserende voice-off. Zelfs de liefdesrelatie tussen beiden vertoont nauwelijks sporen van enige psychologie. Ze worden zich niet door herinnering en reflectie bewust van hun omgeving, maar door rechtstreekse aanrakingen, en veel praten.

Dat alle psychologische terzijdes uit De kleurenvanger zijn gebannen, geeft de roman een mythische, voorwereldlijke toets. Personages worden nauwelijks aan elkaar voorgesteld. Figuranten duiken op uit het niets. Verhelst lijkt ze enkel te hebben geboetseerd opdat ze hun kunsten aan elkaar zouden vertonen. Bijna elke ontmoeting groeit uit tot een séance — telkens een nieuw zetsteentje die de roman doet schitteren.

Zelfs het decor waarin deze schimmen zich bewegen is schetsmatig getekend, als bij een droomlandschap. De kleurenvanger speelt bij voorkeur 's nachts, wanneer elke storende achtergrond is gedimd, wanneer de wereld stil is als onder een wateroppervlak.

6
De kleurenvanger gaat over verlangen, sporen volgen en zoekende zijn. De jacht is mooier dan de vangst, de trip mooier dan de bestemming. “Wat is het doel van een labyrint,” vraagt Verhelst ergens in de roman, “het vinden van de uitgang of het verdwalen?” De vraag stellen is haar beantwoorden. In De kleurenvanger laat Verhelst de jongen lopen tot hij zo vermoeid is dat hij bijna het bewustzijn verliest. Het lichaam wordt afgebeuld tot hij enkel de geest overhoudt.

Het lezen van Verhelst is een al even zalige, afmattende ervaring. Het absolute wordt niet bereikt, maar wel een stukje zelfverlies. Voor even.

(9-11 maart 2009.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Verhelst op Achille: Memoires van een luipaard

Peter Verhelst, De kleurenvanger
298 p.
Uitgeverij Prometheus, 1996

____

dinsdag 24 november 2009

De tedere barbaar - Bohumil Hrabal

De tedere barbaar verscheen voor het eerst als samizdat-uitgave in 1973, hoewel er vermoedelijk een ouder origineel van bestond, dat vermist wordt. Het is het verhaal van een hechte driemanschap van bohémiens in het stalinistische Praag van de jaren vijftig, toen apolitieke kunstenaars gedoemd waren tot een leven in de marge. Het gaat om Hrabal zelf, zijn boezemvriend de kunstenaar Vladimir Boudnik (hij is 'de tedere barbaar', niet Hrabal) en de dichter/filosoof Egon Bondy.

Begin jaren tachtig verscheen in Tjechoslovakije een collage met gekuiste teksten uit De tedere barbaar en Al te luide eenzaamheid onder de noemer Kluby poezie ('Poëzieclubs', 1981). Deze Nederlandse vertaling gaat echter uit van de brontekst uit 1973.

De tedere barbaar herinner ik me als een mindere Hrabal, een boek vol meanderende monologen en bonte anekdotiek, maar zonder de ruggegraat van een plot.

Hrabal en Boudnik woonden samen Op de dam (Na hrázi), door de schrijver opgepompt tot de 'Dam der Eeuwigheid' in de arbeiderswijk Libeň — een omstandige beschrijving van de plaatselijke geografie maakt deel uit van de poëzie van het boek. Van daaruit ondernamen ze hun tochten door de straten, de steegjes, de pleinen en de bedrijfsterreinen van Praag. De kosmos is het dak boven hun hoofd, maar die kosmos is zo immens dat daar navenante hoeveelheden bier bij horen om zich toch enigszins geborgen te kunnen voelen.

Kees Merckx moet diep in zijn vocabularium tasten om Hrabal bij te benen. Vooral ter hoogte van die dranklokalen dus, waar de schrijver, de kunstenaar en soms de filosoof verhalen ophalen en pompeuze artistieke credo's ontvouwen. Aan elk kolderavontuur wordt meteen een existentiële betekenis gekoppeld.

Van gekarnde melk vervaardigde hij room, van roetvlokken briljanten, van een musje een feniks, van een lamme maakte hij een hardloper… steeds zette hij daar waar iets mankeerde, zijn talent in te bewijzen dat omnia ubique was en in het minimum het maximum en elk punt op aarde het centrum van het paradijs was, terwijl intussen de zwevende tuinen gestaag in puin en gruis veranderden, maar dat in dat gruis alle schoonheid bewaard bleef en dat in dat frummeltje aarde alles opnieuw begon.

[...]

Telkens wanneer een vliegtuig neerstortte, interesseerde Vladimir zich voor de kleinste details. Enerzijds beleefde hij de catastrofe als passagier die met de anderen de ruimte in geslingerd werd, anderzijds verbrandde hij met de medepassagiers bij het op de grond neerstorten of werd hij doorzeefd bij de ontploffing van de motoren, maar vooral beleefde hij zichzelf als het vliegtuig, wanneer het de oceaan in dook of op de aarde te pletter sloeg of in de lucht explodeerde om vervolgens stukje bij beetje, al naar gelang de materie, verspreid in het landschap neer te komen.

[...]

Toen was hij een volkomen ander mens en ook al bleef hij als van een kunstmaan die consumptiemaatschappij bekijken, speelde hij toch soms graag het spelletje mee, net zoals kinderen graag naar een panopticum gaan, naar spiegelzalen, naar het planetarium of naar het Julius Fucik-park. En zo zou je kunnen stellen dat de doorsnee mensen hem omhooggestuwd hebben en hem met hun ongebreidelde egoïsme de sporen hebben gegeven, hij was zo anders dat hij, net als zij zich kledend en net als zijn naar het werk gaand, in feite al dat allzumeschliches verachtte en dat hij via de uitschuifladder van zijn imaginatie omhoogklom om de laatste sport te betreden die hem naar prachtige donderwolken leidde…

[...]

Gezalfd en zich zalvend met zijn eigen zaad wanneer hij met de prentenpers in de weer was en haar met de rug tegen de grond duwde, haar in een Finse houdgreep hield of in de dubbele Nelson, besmeurd besmeerde hij alles met zijn zaad, ook het kindje dat erin de vorm van een grafische prent uit de vagina aan de achterkant van de prentenpers uitrolde. Een bliksem die de kortste weg zoekt naar de aarde, en zich in de aarde boort.
Zo eindigde wat uiterst subjectief leek te eindigen in een objectivering en werd deel van een eigenzinnige wereld waarin V. getroffen en zonder bemiddeling geroerd was, zonder wetmatigheid voelde hij zich aangetrokken door de beweging van de materie in de materie, regelrecht lanceerde hij zich met zijn grafische prenten in een ruimte waar het menselijk denken standhield. Via relatieve vrijheid kwam hij tot een absolute onvrijheid die geen uitleg en geen motivatie meer nodig heeft en waarin de mens degene is die hij is. De identiteit van muzikale sferen enover de aarde rondgestrooid objecten. Het absolute spel, fruicio dei, de monade der monaden, het ens realissimum, het Ding an sich selbst, de spelonk waarin niet de schaduwen der dingen zichtbaar zijn, maar de ideeën zelf. Zo was hij dat punt voorbijgegaan en was hij daar binnengegaan waar dat is wat ons te boven gaat. V. heeft toen als eerstgeboren Zoon Gods materie en het doen gehuldigd en heeft opnieuw het drama in werking gesteld als daadwerkelijke liefde tot de Kosmos en de Mens.
Ook De tedere barbaar is dus weer opgetrokken uit de typisch Slavische combinatie van dronkemansgelal en wijsgerige terzijdes, vol Latijn en filosofenduits. Dit moet ook het boek zijn waarin ik voor het eerst over George Grosz hoorde, wiens grafiek ik pas veel later ontdekte en nu, net zoals zijn dagboek, tot mijn favorieten reken.

Curieus overigens hoe bepaalde zeer particuliere motieven uit De tedere barbaar terugkeren in andere romans. De neergestorte vliegtuigen in Zwaarbewaakte treinen, de papierpers (hier een prentenpers) uit Al te luide eenzaamheid.

(Gebaseerd op notities van 30 maart 2000.)

Bohumil Hrabal, De tedere barbaar
129 p.
Uitgeverij Bert Bakker, 1994
Oorspr. Něžný barbar (1973)

____

maandag 23 november 2009

Het grote boek der ongekamde gedachten - Stanisław Jerzy Lec

Houd Stanisław Lem (1921-2006) en Stanisław Jerzy Lec (1909-1966) maar eens uit elkaar. Beiden Pools, beiden geboren in Lwów, beiden op hun manier satiricus. Lem als schrijver van SF, Lec als bedenker van puntige uitspraken. De aforismenbundel Het grote boek der ongekamde gedachten van Lec (spreek uit: Lets) is een klassieker in zijn genre. De Nederlandse editie, vijfendertig jaar oud, verdient een herdruk; en de vertaling een schrobbeurt.

Stanisław Jerzy Lec werd geboren in Lwów (dan nog Lemberg, in de Hongaars-Oostenrijkse dubbelmonarchie, nu Lviv in de Oekraïne) in een gegoede joodse familie. Vader was bankdirecteur, moeder de dochter van een grondbezitter. Het gezin week kort uit naar Wenen toen de Russen naar Oost-Gallicië kwamen en de Eerste Wereldoorlog uitbrak; daarna keerde de familie Lec terug naar Polen.

In 1927 begon Lec zijn studie polonistiek en rechten in Lviv, die hij in 1933 afrondde. Hij begon gedichten en satires te schrijven voor revolutionaire bladen van socialistische signatuur, maar moest voor zijn politieke activiteiten uitwijken naar Warschau. Daar werd zijn werk algauw geliefd en berucht. Zijn eerste poëzie werd getekend door onbeholpen echo's van het Russische imaginisme, het Italiaanse futurisme en het Duitse expressionisme. Het 'literaire cabaret' dat hij samen met Leon Pasternak (de neef van de schrijver) stichtte, werd door de autoriteiten verboden na amper acht voorstellingen.

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog zat Lec gevangen in het nazikamp Tarnopol. Het verhaal wil dat hij in 1943 samen met een aantal medegevangenen in een Duits uniform ontsnapte naar Warschau, waar hij lid werd van de ondergrondse strijdkrachten en redacteur van illegale soldatenbladen.

Na de oorlog ging hij door met schrijven, afgewisseld met kortdurende dienst als persattaché namens de Volksrepubliek Polen bij de ambassade in Wenen. Tijdens het stalinisme was de ambassade uiteraard naar communistisch model ingericht: na conflicten met de Poolse autoriteiten, wat resulteerde in een publicatieverbod, week Lec voor twee jaar uit naar Israël.

Met de Poolse Oktober in 1956 begon Lecs carrière als schrijver van aforismen. Eind jaren vijftig mocht hij weer boeken publiceren. De beknoptheid van zijn aforismen stond in schril contrast met de bombastische krachten die zijn leven tot dan toe hadden bepaald. Lecs populariteit was zo groot, dat ondanks de anti-totalitaire inslag van zijn werk, hij een staatsbegrafenis kreeg in Warschau.

De kwaliteit van Het grote boek der ongekamde gedachten is, Lecs reputatie indachtig, wisselvallig. Geeft niet: de grens tussen een geslaagd aforisme en een platitude ("Bedenk, dat in hetzelfde vuur dat Prometheus de goden ontstal, Giordano Bruno werd verbrand") is dun, en moet iedereen voor zichzelf uitmaken. Ik kan alleen maar zeggen dat de aforismen die niet steunden op een woordspeling me het liefste waren.

Woordspelingen — "Eenzaamheid, wat ben je overbevolkt!" staat er ergens, Phil Bosmans komt dan akelig dichtbij — trekken de aandacht te veel naar zich toe. Een aforisme is de ultieme condensering in taal van een gedachte die geen context behoeft, en dat betekent naar mijn smaak dat die gedachte moet vooraf gaan aan het bedenken van het beeld. Bij woordspelingen lijkt de gedachte altijd een bijprodukt — een alibi om met woorden te kunnen spelen. Woordspelingen talen ook naar de gulle lach, terwijl aforismen, in hun hoedanigheid van waarheidszoekende volzinnen, vooral goed pijn moeten doen.

Vielen ook af: aforismen die zichzelf door expliciete beeldspraak overschreeuwden. Politiehonden, adelaars in vliegende kooien, al dan niet geladen geweren, marionetten, stroppen, menseneters — het hoefde allemaal niet. Hoe authentiek de levensloop van Lec er ook in doorklinkt.

Daar tegenover staat dat het beste uit de Ongekamde gedachten inderdaad tot het beste in het genre behoort. Voor die oneliners geldt dat je er eigenlijk elke morgen eentje toegemaild zou moeten krijgen, om de rest van de dag over na te denken. Serieel gelezen hebben ze de neiging elkaar te neutraliseren. Helaas.

Het grote boek der ongekamde gedachten volgt de Duitse editie van Lecs aforismen, aangevuld met een reeks aforismen uit de Engelstalige uitgave. Het boek steekt tussen een boeiend voor- en nawoord.

In [Lecs] kortheid vindt men niet slechts pit, maar ook de waarheid en kracht van het woord in zijn oorspronkelijke, bijbelse betekenis
schrijft Karl Dedecius vooraan. In zijn inleiding onderstreept hij de lange aforistische traditie in Polen — met in het Westen zo goed als onbekende figuren als Jan Kochanowski, Waclaw Potocki, Ignacy Krasicki, Tadeusz Zelensk — en de Duitstalige invloeden van Lec: Goethe, Grillparzer, Lessing, Morgenstern, Heine, Lichtenberg, Ebner-Eschenbach, Ringelnatz, Kästner, Kraus. Hij wijst ook op parallellen met de vormtaal van de Talmoed. Opmerkelijk: Letz betekent satiricus in het Hebreeuws.

Ooit nog eens aan te schaffen: Denkspiele : Polnische Aphorismen des 20. Jahrhunderts, samengesteld door A. Marianowicz en R.M. Gronski.

(Gebaseerd op notities van 17 april 2006.)

Stanisław Jerzy Lec, Het grote boek der ongekamde gedachten
184 p.
Uitgeverij Meulenhoff, 1974
Vertaald door Martin Mooij en Menno Colleran
Oorspr. Mysli nieuczesane (1959) en Mysli nieuczesane nowe (1964)



Mijn selectie:
De satire moet opgraven wat door het pathos is bedolven.

‘Waarom’, vroeg ik een criticus, ‘heeft u het stuk een baanbrekende gebeurtenis van revolutionaire betekenis genoemd?’ — ‘Welk stuk?’, was zijn wedervraag.

Geen enkele hervorming van de kalender kan de tijd van de zwangerschap bekorten.

Als een menseneter met mes en vork eet — is dat vooruitgang?

Karakters zij niet breekbaar — wel rekbaar.

Uit moerassen zou men geen consequenties moeten trekken.

Men heeft mij in de provincie het voorstel gedaan voor een lager honorarium goedkopere gedachten te schrijven.

Er zijn vele gedachten nodig om er één vast te houden.

Nu bent u dan met uw hoofd door de muur. En wat gaat u nu in de cel van uw buurman doen?

Een paard zonder ruiter is altijd nog een paard. Een ruiter zonder paard is alleen maar een mens.

Of het volharden in eigen fouten ook trouw aan zichzelf zijn is?

Veel van mijn vrienden zijn mijn vijanden geworden, veel vijanden verwierven mijn vriendschap, maar de onverschilligen zijn mij trouw gebleven.

Hij had net zoveel gevoel van eigenwaarde als een spook dat nog nooit aan iemand verschenen is.

Wat een vleiers, die satirici: Bespotten de deugden van het volk, die het niet bezit.

Het paragraafteken alleen al ziet er uit als een martelwerktuig.

Spreek niet over uw dromen. Misschien komen de Freudianen aan de macht!

Wie heeft de these en de antithese ooit gevraagd of zij wel een synthese willen worden?

Wie geen geweten heeft, moet dit compenseren met zijn gebrek eraan.

Puriteinen zouden vijgebladen voor hun ogen moeten dragen.

Wegwijzers komen niet van hun plaats.

De witte vlekken zijn van de landkaart verdwenen, ze verhuisden naar de geschiedenisboeken.

Kent u het wachtwoord voor uw eigen innerlijk?

Ook het beest denkt. In de mens.

Er bestaat een ideale wereld der leugen, waar alles waar is.

Niet de afgrond scheidt,maar het verschil in niveau.

Het drama van onze tijd levert (zoals dat hoort) zijn scheppers royalties op.

Ik lees heiligenlevens graag van achteren naar voren, in de hoop dat er één allengs weer mens wordt.

Wie een tragedie heeft overleefd, is er niet de held van geweest.

Velen zien met het rechter- en met het linkeroog precies hetzelfde. En geloven dat dat objectiviteit is.

Een dialoog met een half-intelligente lijkt op de monoloog van een kwart-intelligente.

Zijn onwetendheid is encyclopedisch.

Traditie: erfelijke adel van het plagiaat.

De opvoering laat zien wat regie allemaal van een idee kan maken.

Zeg mij met wie je slaapt en ik zeg je van wie je droomt.

Heb ik het recht mij voor de auteur van gedachten te houden, die mij ongevraagd opzoeken?

Steeds witter brood en bloediger spelen.

Hoeveel levenslopen moet je plunderen om die van jezelf onsterfelijk te maken!

Zelfs de oppervlakkige mens heeft helaas drie dimensies.

Je ziet 't: de krachtsverhoudingen worden niet door estheten geschapen.

Wanneer zal de mens de intermenselijke ruimte veroveren?

Dichters zijn net als kinderen: als zij aan hun schrijftafel zitten, komen zij met hun voeten niet eens tot op de grond.

Op het gemaskerde bal van de begrippen gaat de slogan graag door voor definitie.

Er zijn diepgelovige mensen — die het alleen maar aan religie ontbreekt.

Sinds de uitvinding van de mens vervolmaakt men hem enkel met prothesen.

Om bij de bron te komen moet men tegen de stroom in zwemmen.

Een onsterfelijk auteur sterft in zijn epigonen.

Ach, als wij maar het leven zagen en niet de situaties.

Er zijn zebra’s die vrijwillig achter tralies zitten om er als witte paarden uit te zien.

Ik ben optimist. Ik geloof aan de bevrijdende invloed van het pessimisme.

Zijn geweten was rein. Hij gebruikte het nooit.

‘Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap!’ Maar hoe komen we aan de werkwoorden?

Of de mensen ooit zo’n moreel niveau zal bereiken dat hij voor nomaden mobiele gevangenissen inricht?

Nooit zal de satire voor haar examen slagen. In de jury zitten haar objecten.

Iets fijns: perspectief — een mogelijkheid om uw vijanden klein te krijgen.

Om een diepe gedachte te bereiken moet u klimmen.

De mens? Een afvalprodukt van de liefde.

Een mens met een groot hart moet aan evenwichtsstoornissen lijden.

Het begrijpen van menig werk komt overeen met het scheppen ervan.

Autodidacten zouden zichzelf trouw moeten blijven en niet de anderen willen beleren.
Op de smaak van criticus X kan men zich verlaten. Hij is betrouwbaar slecht.

Satirici sterven met een pinkend oog.

Rechtvaardiging van de kannibalen: 'Mensen zijn beesten.'

De armen van geest kunnen zich slechts een goedkoper optimisme veroorloven. Het kost weliswaar ook veel, niet hun, maar de anderen.

Vijl aan je gedachten; misschien is dat een manier om te ontkomen.

Ik ken gevolgen die ieder jaar weer een nieuwe oorzaak hebben.

Hoe rozig — wanneer er op het bloed een paar tranen vallen.

De leges veranderen de logos.

De waarheid ligt meestal in het midden. (En zonder gedenksteen.)

Waarheen leidt de consequentie ons? Dat wordt door haar escorte bepaalt.

Men moet het aantal gedachten dusdanig vermenigvuldigen dat het aantal bewakers er niet langer voldoende voor is.
____